[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. I. Ă–zkara),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 8 oktober 2024 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor arbeid als zelfstandige.
De minister heeft deze aanvraag op 2 november 2024 afgewezen, omdat eiser niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en hij niet van dit vereiste wordt vrijgesteld. Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. In deze procedure gaat het om de vraag of de minister het mvv-vereiste kan tegenwerpen aan eiser, een Turks onderdaan die een aanvraag voor arbeid als zelfstandige heeft ingediend. Volgens eiser is dat in strijd met het Turks associatierecht.
De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in een uitspraak van 1 november 2024 een beroep tegen het toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond bij Turkse onderdanen ongegrond verklaard.
Eiser heeft in zijn beroepsgronden van 4 juni 2025 toegelicht waarom hij het niet eens is met de afwijzing van zijn aanvraag en waarom het tegenwerpen van het zelfstandige mvv-vereiste volgens hem niet is toegestaan.
De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van eiser overeenkomen met de gronden die de gemachtigde van eiser in andere procedures naar voren heeft gebracht. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft die gronden besproken in een uitspraak van 9 april 2025, waarin is geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van de uitspraak van 1 november 2024. Aangezien de gronden van eiser identiek zijn, komt de rechtbank onder verwijzing naar die uitspraak van 9 april 2025 tot het oordeel dat ook het beroep van eiser ongegrond is.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.