ECLI:NL:RBDHA:2025:23770

ECLI:NL:RBDHA:2025:23770, Rechtbank Den Haag, 09-12-2025, NL25.38041

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-12-2025
Datum publicatie 12-12-2025
Zaaknummer NL25.38041
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

asiel Turkije, eerder politiek actief, negatieve belangstelling, (weigering van) militaire dienstplicht, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.38041

(gemachtigde: mr. M. Woudwijk),

en

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft namelijk de asielmotieven van eiser voldoende in samenhang beoordeeld. Daarnaast heeft de minister terecht gesteld dat eiser niet onder de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat vanwege zijn eerdere politieke activiteiten, waardoor hij bij terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging loopt. Ook heeft de minister terecht gesteld dat eiser geen risico op vervolging loopt vanwege (het weigeren van) de dienstplicht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 11 november 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 april 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 24 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is tussen 2012 en 2019 meerdere keren opgepakt door de politie omdat eiser aanhanger was van de Ezilenlerin Sosyalist Partisi (ESP) en politiek actief was. Eiser is daarbij ook door de politie mishandeld. In 2019 is eiser gestopt met zijn politieke activiteiten, maar de problemen hielden aan. Eind 2021 of begin 2022 is hij voor het laatst aangehouden. Daarnaast is eiser dienstweigeraar en heeft hij bezwaren tegen de militaire dienst. Daarbij komt dat eiser als Koerd discriminatie heeft ondervonden en daardoor bij terugkeer ook problemen verwacht. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Turkije weer in de gevangenis terecht zal komen of gedood zal worden.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. problemen als gevolg van politieke activiteiten;

3. problemen als gevolg van discriminatie vanwege Koerdische etniciteit;

4. militaire dienstplicht is nog niet vervuld.

De minister acht alle asielmotieven geloofwaardig. Waarbij de minister geloofwaardig acht dat eiser politiek actief is geweest en om die reden problemen heeft gehad met de politie. Echter kan eiser niet worden aangemerkt als vluchteling en loopt hij ook geen reëel risico op ernstige schade, omdat de minister niet aannemelijk acht dat eiser bij terugkeer nog te vrezen heeft vanwege zijn eerder ondervonden problemen.

Heeft de minister het asielrelaas van eiser voldoende in samenhang beoordeeld?

5. Eiser voert aan dat de minister de ondervonden discriminatie onvoldoende in samenhang met de militaire dienst en de eerdere problemen als gevolg van de politieke overtuiging heeft beoordeeld. Daarmee is het besluit onvoldoende gemotiveerd.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de besluitvorming dat het asielrelaas van eiser in samenhang is beoordeeld. In het kader van de dienstplicht heeft de minister namelijk in het besluit meegewogen dat eiser de Koerdische etniciteit heeft en heeft daarbij verwezen naar paragraaf C2/34.3.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Verder is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende heeft toegelicht hoe zijn etniciteit samenhangt met de problemen vanwege zijn politieke overtuiging. Eiser heeft hierover zelf niets verklaard en in de gronden en tijdens de zitting is niet duidelijk gemaakt op welke manier de minister de etniciteit had moeten betrekken bij de problemen vanwege de politieke overtuiging.

Heeft de minister terecht niet aannemelijk geacht dat eiser onder negatieve belangstelling van de autoriteiten staat?

6. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij bij terugkeer naar Turkije geen problemen zal krijgen vanwege zijn politieke overtuiging. Hierbij wijst eiser erop dat hij van zijn moeder heeft gehoord dat zij weer bezoek heeft gehad van de politie op 2 mei 2025. Zij waren met vier politiemannen en vroegen naar eiser, waarbij zij harde taal gebruikten. Ze zeiden dat de moeder van eiser een verklaring af moest leggen omdat zwijgen een misdrijf zou zijn. Eiser heeft in het nader gehoor ook verklaard dat de politie langs is geweest en dit is geloofwaardig geacht. Daarmee is het onduidelijk waarom de minister niet aannemelijk acht dat de politie nogmaals is langsgekomen. Eiser kan dit niet anders dan met zijn verklaringen onderbouwen. Uit voorgaande blijkt dat eiser onder de negatieve aandacht van de autoriteiten staat. Dat blijkt ook uit het feit dat hij, nadat hij in Turkije is gestopt met het verrichten van politieke activiteiten, ook nog problemen heeft ondervonden. Daarnaast heeft eiser onlangs meegedaan aan de 1 mei-demonstratie in Nederland, en hoewel eiser geen lid meer is van de socialistische partij ESP, wil hij dat wel weer worden op het moment dat hij een verblijfsvergunning heeft. Zijn mening over het deelnemen aan acties is dus veranderd en eiser wil graag politiek actief zijn. De minister had hierover door moeten vragen. Verder heeft de minister onvoldoende meegewogen dat eiser met zijn politieke activiteiten is gestopt vanwege de ondervonden problemen. Het feit dat eiser nooit strafrechtelijk veroordeeld is voor zijn activiteiten, doet niet af aan de problemen die hij heeft gehad. Eiser loopt bij terugkeer dus weer een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Daarbij wijst eiser op de brief van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) over ESP-leden.

De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser onder de negatieve aandacht van de autoriteiten staat vanwege zijn politieke overtuiging. Hoewel de eerdere problemen vanwege de politieke overtuiging geloofwaardig zijn, acht de minister het terecht niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer weer problemen zal krijgen, omdat eiser niet meer politiek actief is. Hierbij heeft de minister gewezen op het volgende. Eisers uitreisverbod is opgeheven en hij heeft legaal kunnen uitreizen. Ook is eiser niet eerder strafrechtelijk vervolgd geweest, ondanks dat dit niet afdoet aan de eerder ondervonden problemen, mocht de minister hierdoor niet aannemelijk achten dat eiser onder de negatieve belangstelling staat. Dat eiser en andere partijleden steeds zijn vrijgelaten en niet zijn vervolgd heeft de minister terecht relevant geacht bij de beantwoording van de vraag of eiser bij terugkeer naar Turkije in de negatieve belangstelling zou staan van de Turkse autoriteiten. Dat het de Turkse autoriteiten met name te doen zou zijn om intimidatie, zoals eiser betoogt, doet daaraan niet af. Daarnaast heeft eiser in juli 2024 verklaard dat het toen 17 maanden geleden was dat navraag naar hem was gedaan door de politie. Dat volgens eiser in februari en mei 2025 weer naar hem is gevraagd, acht de minister niet ten onrechte onaannemelijk omdat het bevreemdend is dat de autoriteiten na ruim 32 maanden ineens weer aandacht voor eiser zouden hebben. Daarbij acht de minister van belang dat eiser heeft verklaard dat hij sinds 2019 niet meer politiek actief is geweest. Het betoog van eiser dat de minister niet heeft meegewogen dat eiser vanwege de ondervonden problemen gestopt is, doet niet af aan het oordeel van de rechtbank. De kern is namelijk dat eiser niet (meer) onder de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat en dat heeft de minister, gelet op voorgaande, mogen stellen. Met betrekking tot het betoog van eiser dat hij heeft meegedaan aan de 1 mei-demonstatie en dus zijn politieke activiteiten weer wil oppakken, stelt de minister terecht dat los van de vraag of eiser heeft meegedaan aan een demonstratie in Nederland, daaruit niet volgt dat hij reeds om die reden onder de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten. Het betoog van eiser dat hij zich opnieuw politiek wil uiten in Turkije heeft de minister niet hoeven volgen. Eiser heeft namelijk in het gehoor een aantal keer aangegeven gestopt te zijn en niet voornemens te zijn om zijn politieke activiteiten weer op te pakken. Daarom was er ook geen reden om daarover door te vragen. Overigens is tijdens het gehoor wel aan eiser gevraagd wat er zou gebeuren als hij terug zou gaan naar Turkije, waardoor eiser dus voldoende de gelegenheid heeft gehad om naar voren te brengen dat hij bij terugkeer gevaar zou lopen omdat hij zich dan weer politiek zou willen uiten. De minister heeft terecht onvoldoende acht dat eiser zich nu wel weer politiek zou willen uiten, mede gelet op alle risico’s die juist destijds voor hem reden waren om te stoppen met zijn activiteiten. Eiser heeft ook niet nader onderbouwd waarom hij eerder heeft verklaard niet meer politiek actief te willen zijn en dit nu wel weer zou willen.

Heeft eiser in Turkije te vrezen voor vervolging vanwege (weigering van) de militaire dienst?

7. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging vanwege (weigering van) de militaire dienstplicht. Hij zal namelijk worden ingezet bij een gewapend conflict als hij in militaire dienst moet. De minister is in het besluit, aldus eiser, onvoldoende gemotiveerd ingegaan op wat eiser daarover heeft betoogd in zijn zienswijze. Daarnaast heeft eiser wel degelijk te vrezen voor discriminatoire behandeling of onevenredige bestraffing, omdat hij onder verhoogde negatieve aandacht staat vanwege zijn politieke activiteiten. Dat eiser niet strafrechtelijk veroordeeld is, doet daar niet aan af. Hij is namelijk meerdere keren opgepakt en mishandeld. Ook heeft eiser wel gewetensbezwaren waardoor hij de dienstplicht niet kan vervullen. De minister is hierop onvoldoende gemotiveerd ingegaan in het bestreden besluit. Eiser heeft over zijn gewetensbezwaren duidelijk aangegeven dat hij zich verzet tegen oorlog en geen andere mensen wil doden. Over onduidelijkheden had de minister door moeten vragen.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser in Turkije niet te vrezen heeft vanwege het (weigeren van) de militaire dienst. De minister heeft hierbij getoetst aan de voorwaarden van paragraaf C2/3.2.7. van de Vc 2000. De minister heeft terecht gesteld dat eiser niet voldoet aan deze voorwaarden, omdat niet aannemelijk is dat hij zal worden ingezet bij een gewapend conflict, zoals blijkt uit het Thematisch ambtsbericht dienstplicht Turkije uit 2019. Ten aanzien van Koerden neemt de minister daarnaast terecht aan dat zij in beginsel geen vrees hebben om te worden ingezet in een conflict tegen eigen volk of familie. De minister stelt verder terecht dat ook als Koerden ingezet zouden worden, dit nog niet maakt dat aan alle voorwaarden uit de Vc 2000 is voldaan. Daarbij speelt ook mee dat in Turkije de dienstplicht kan worden afgekocht. Dat eiser als Koerd de dienstplicht niet zou kunnen afkopen, heeft hij niet onderbouwd en dit blijkt ook niet uit de landeninformatie die de minister heeft betrokken. Anders dan eiser betoogt, is de minister wel ingegaan op het risico dat eiser tijdens de dienstplicht wordt gediscrimineerd. Door de minister is gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat eiser persoonlijk op dusdanige manier zal worden behandeld dat sprake is van vervolging. Eiser heeft in dit kader enkel gewezen op algemene informatie zonder te onderbouwen dat dit op zijn individuele situatie ziet. Ook als het zo is dat voor aamhangers van de Halkların Demokratik Partisi (HDP) de behandeling in de dienstplicht niet altijd goed is, zoals eiser betoogt, is dat niet relevant omdat eiser geen HDP-aanhanger is. Daarnaast heeft de minister, zoals geoordeeld onder 6.1., terecht gesteld dat niet is gebleken dat eiser onder de negatieve aandacht staat vanwege zijn politieke uitingen. Tot slot heeft de minister terecht gesteld dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft. Eiser heeft namelijk enkel verklaard dat hij wel in het leger zou willen gaan, maar geen wapens wil dragen. Daarnaast heeft eiser niet onderzocht of hij onder de dienstplicht uit kan komen, terwijl dit wel verwacht kan worden van een persoon die stelt gewetensbezwaren te hebben.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W. Loof

Griffier

  • mr. K.H.M.M. Otten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?