ECLI:NL:RBDHA:2025:23807

ECLI:NL:RBDHA:2025:23807, Rechtbank Den Haag, 09-12-2025, NL25.57358

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-12-2025
Datum publicatie 12-12-2025
Zaaknummer NL25.57358
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Dublinverordening, Denemarken, vals paspoort, mogelijkheid strafrechtelijke vervolging Denemarken, aangescherpte regels gezinshereniging, beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. J.C.A. Koen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

Bij besluit van 20 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 8 augustus 2025 asiel aangevraagd in Nederland.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser door de buitenlandse vertegenwoordiging van Denemarken in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig is van 19 juli 2025 tot 12 augustus 2025. Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening is Denemarken daarmee verantwoordelijk voor de asielaanvraag. Nederland heeft daarom aan Denemarken een verzoek om overname gedaan. Op 19 november 2025 heeft Denemarken het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Denemarken vaststaat.

3. Eiser voert daartegen aan dat verweerder toepassing moet geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Denemarken houdt zich namelijk niet aan artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag. Eiser citeert uit het landenrapport US Department of State: 2024 Country Reports on Human Rights Practices: Denmark: “In May, representatives of the Association of Immigration Lawyers and the Danish Refugee Council discussed in national media that some asylum seekers were prosecuted for use of false or falsified travel documents or identification papers, contrary to guidance from the attorney general and Article 31 of the Refugee Convention, leading authorities not to consider their asylum applications. The attorney general stated 457 asylum seekers were charged with violating relevant sections of the criminal code from 2019 to 2023.” Eiser stelt daarbij dat hij met een vals paspoort naar Denemarken is gereisd. Verweerder heeft volgens hem onvoldoende gereageerd op de zienswijze door te overwegen dat eiser kan klagen bij de Deense autoriteiten wanneer Denemarken zich niet aan de regels houdt. Zou dat volstaan om zich aan het Vluchtelingenverdrag te houden, dan was de bedoelde verdragsschending niet gesignaleerd, aldus eiser. Daarnaast voert eiser aan dat Denemarken het recht op gezinshereniging voor vreemdelingen met subsidiaire bescherming aanzienlijk heeft aangescherpt, zodat hij in een nadeliger positie komt te verkeren dan wanneer Nederland zijn asielaanvraag in behandeling zal nemen.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Denemarken zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2024. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser is hier niet in geslaagd.

5. In het door eiser aangehaalde rapport wordt gesignaleerd dat sommige asielzoekers die in Denemarken een vals paspoort hebben gebruikt, daar strafrechtelijk voor zijn vervolgd en dat hun asielaanvragen vervolgens niet in behandeling zijn genomen door de Deense autoriteiten. Uit het rapport blijkt echter niet dat Denemarken volgens vast beleid of systematisch weigert om asielaanvragen van asielzoekers met valse documenten in behandeling te nemen. Verweerder wijst er terecht op dat Denemarken onder meer partij is bij het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en de richtlijnen van de Europese Unie op het gebied van het asielrecht. Volgens vaste rechtspraak volgt uit het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat vervolgens wordt aangenomen dat in Denemarken effectieve rechtsbescherming wordt geboden aan asielzoekers en Dublinclaimanten. Verweerder heeft daarom terecht overwogen dat van eiser verwacht mag worden dat hij zich bij voorkomende problemen in de Deense asielprocedure, opvangvoorzieningen, of anderszins beklaagt bij de (hogere) Deense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Deense autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. De bevindingen in het aangehaalde rapport rechtvaardigen niet eisers conclusie in dit verband. Niet is gebleken of de betrokken vreemdelingen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheden van rechtsbescherming in Denemarken en wat daarvan de uitkomst is geweest. Daar komt bij dat Denemarken met het claimakkoord heeft gegarandeerd het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen. Verweerder heeft gelet hierop het bestreden besluit op dit punt dan ook voldoende gemotiveerd.

6. Verweerder heeft ook verder voldoende gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. Verweerder hoefde de situatie dat in Denemarken de voorwaarden voor gezinsherenging voor degenen die een subsidiaire beschermingsstatus hebben, aanzienlijk aangescherpt zijn niet aan te merken als bijzondere omstandigheid die maakt dat overdracht aan Denemarken getuigt van onevenredige hardheid. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Denemarken in strijd handelt met de Gezinsherenigingsrichtlijn.

7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan op 9 december 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.F.I. Sinack

Griffier

  • mr. S.D.C.J. Verheezen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?