RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12382
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat het recht van eiser op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke bescherming) per 4 maart 2022 van rechtswege eindigt en heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen
1. In dit geval bedraagt de beroepstermijn vier weken. Dit betekent dat eiser uiterlijk 6 maart 2024 het beroep had moeten instellen. Het beroepschrift is ingediend op 20 maart 2024 en dus te laat.
2. Hieraan kan voorbij worden gegaan als in alle redelijkheid niet kan worden gezegd dat eiser ‘in verzuim’ is. Dit wil zeggen dat de termijnoverschrijding hem niet wordt aangerekend. Van belang is dat eiser tijdens de beroepstermijn werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener. Dan geldt als uitgangspunt dat het handelen van de rechtshulpverlener wordt beschouwd als het handelen van eiser zelf.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval niet gebleken dat de overschrijding van de beroepstermijn eiser niet moet worden aangerekend. Zo is - anders dan eisers gemachtigde stelt – eiser in het bestreden besluit wél gewezen op de termijn van vier weken voor het instellen van beroep. Eisers gemachtigde heeft daarnaast aangevoerd dat de rechtspraak over het uitvaardigen van een terugkeerbesluit onduidelijk was op het moment van het bestreden besluit, maar dat betekent evenmin dat eiser niet in verzuim is. Het bestreden besluit is namelijk wél duidelijk over de daaruit volgende rechtsgevolgen en over de termijn waarbinnen de rechter kan worden gevraagd om een oordeel hierover.
4. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 8 december 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.