RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27567
(gemachtigde: mr. B. Manawi),
en
(gemachtigde: mr. J. Kennis).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft niet goed gemotiveerd waarom de laagste gradatie van willekeurig geweld in Syrië van toepassing is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 1 november 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 17 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Bij besluit van 13 oktober 2025 heeft verweerder de motivering van het bestreden besluit aangevuld en de afwijzing van eisers asielaanvraag gehandhaafd. Het beroep heeft ook betrekking op dit aanvullende besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, W. Fadl als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat heeft eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd?
3. Eiser is in Syrië geboren op [datum] 1992 en is Palestijns. Op 15 april 2014 heeft hij Syrië verlaten, omdat hij onderweg naar de universiteit bij een controlepost van de autoriteiten werd gearresteerd omdat hij geen identiteitskaart bij zich had. Hij is een maand lang vastgehouden door de veiligheidsdienst. Hij is ook gemarteld. Ongeveer anderhalf tot twee maanden later heeft eiser Syrië verlaten. Bij terugkeer naar Syrië vreest hij gevaar te lopen vanwege de onduidelijke algemene veiligheidssituatie en de aanwezigheid van gewapende groeperingen. Ook vreest eiser dat hij als Palestijn basale rechten zal missen en dat hij de militaire dienstplicht moet vervullen.
Wat vindt verweerder?
4. Verweerder heeft uit het relaas van eiser drie asielmotieven gehaald:
1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst.
2. Eisers arrestatie en gevangenschap in 2014.
3. Eisers stelling dat hij dienstplichtig is.
Verweerder volgt eiser in de eerste twee asielmotieven, maar volgt eiser niet in het derde asielmotief. Eiser heeft het derde asielmotief niet onderbouwd met documenten en zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Uit de landeninformatie blijkt niet dat sprake is van militaire dienstplicht.
De geloofwaardig geachte asielmotieven leiden niet tot de conclusie dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. De uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag is niet van toepassing. Eiser valt evenmin onder een risicoprofiel. Verder is de door eiser gestelde discriminatie vanwege zijn Palestijnse afkomst niet dusdanig dat hij ernstig in zijn bestaansmogelijkheden wordt beperkt. Uit het Ambtsbericht Syrië van mei 2025 (hierna: het ambtsbericht) blijkt dat Palestijnen dezelfde rechten hebben als Syriërs, behalve stemrecht. Voorts is verweerder van mening dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft wegens zijn eerdere arrestatie in 2014. Ook is verweerder van mening dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. Voor heel Syrië geldt dat de algemene veiligheidssituatie is ingeschaald op een lager niveau van willekeurig geweld. Dat betekent dat eisers persoonlijke omstandigheden en eventueel risico-verhogende omstandigheden meer gewicht moeten hebben om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Van dergelijke omstandigheden is volgens verweerder geen sprake.
Heeft verweerder terecht de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing geacht?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zich onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag niet op hem van toepassing is. Volgens eiser is niet in geschil dat hij onder het mandaat van de UNRWA valt. Verweerder heeft vervolgens onvoldoende onderzocht of door eiser bescherming of bijstand van de UNRWA is ingeroepen of genoten. Verweerder heeft daar tijdens het gehoor onvoldoende op doorgevraagd. Ook geeft verweerder een te strikte uitleg aan de voorwaarde dat de hulp en/of bijstand van de UNRWA kort voorafgaand aan het indienen van de asielaanvraag moet zijn genoten. Het enkel verstrijken van tijd is geen automatische indicatie dat de band met de UNRWA is verbroken tenzij dat is gemotiveerd. Vervolgens had verweerder moeten vaststellen dat de bijstand van de UNRWA is opgehouden teneinde eiser als vluchteling te erkennen. Ook dat heeft verweerder ten onrechte niet gedaan.
De rechtbank overweegt als volgt. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft in de arresten Bolbol en El Kott een toelichting gegeven op artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag, die verweerder heeft uitgewerkt in Werkinstructie SUA ‘WI 2020/19 Palestijnen’:
“1. Enkel een registratie bij de UNRWA is niet voldoende om onder de uitsluitingsgrond van artikel 1D Vluchtelingenverdrag te vallen. Daarnaast is het van belang dat de UNRWA de bescherming ook zonder registratie kan verlenen. Alleen degenen die daadwerkelijk de door de UNRWA geboden hulp hebben ingeroepen (of genoten) vallen onder de uitsluitingsgrond, niet de personen die in aanmerking komen of kwamen voor de bescherming of bijstand van deze organisatie. Het is dus van belang dat de IND tijdens gehoren nagaat of de bescherming of bijstand daadwerkelijk is ingeroepen. Het gaat dan om de periode direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van het asielverzoek in Nederland (zie toelichting onder 6.3).
2. Als de IND heeft vastgesteld dat de vreemdeling de hulp van de UNRWA heeft ingeroepen of genoten, moet worden bezien of de vreemdeling vrijwillig of door de omstandigheden gedwongen het gebied heeft verlaten waar de hulp wordt geboden. (…)”
Niet in geschil is dat eiser een originele UNRWA-registratie heeft overgelegd. In de uitspraak van 19 februari 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) overwogen dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de enkele omstandigheid dat de vreemdeling is geregistreerd bij de UNRWA nog niet leidt tot toepasselijkheid van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Van belang is of de vreemdeling direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van zijn asielaanvraag daadwerkelijk bijstand heeft ontvangen van de UNRWA en of die bijstand is opgehouden om redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van die vreemdeling.
Uit het verslag van het nader gehoor van 10 juni 2025 blijkt dat verweerder drie vragen heeft gesteld over het ontvangen van hulp van de UNRWA door eiser dan wel zijn familie. Daargelaten of verweerder aanleiding had moeten zien om hierop door te vragen, stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser al in 2014 uit Syrië is vertrokken, volgens zijn eigen verklaringen ruim zeven jaar voorafgaand aan zijn komst naar Nederland in Turkije heeft verbleven en op 1 november 2023 zijn asielaanvraag in Nederland heeft ingediend. Nu uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat een verblijf van drie jaar buiten het werkgebied van de UNRWA al maakt dat de vreemdeling niet valt onder de reikwijdte van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag, is een verblijf van ruim zeven jaar buiten het werkgebied van de UNRWA dat zeker. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen.
Nu verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is, heeft verweerder niet hoeven beoordelen of eiser voldoet aan de insluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder terecht Syrië als eisers gebruikelijke verblijfplaats aangemerkt?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte Syrië als zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats heeft aangemerkt. Dit is juridisch niet houdbaar, omdat staatloze Palestijnen in Syrië geen verblijfsrecht hebben.
In C2/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is het volgende bepaald:
De IND merkt het land waar de staatloze vreemdeling voor zijn komst naar Nederland zijn gebruikelijke verblijfplaats (‘country of former habitual residence’) had, aan als land van herkomst van de staatloze vreemdeling. De IND bepaalt de gebruikelijke verblijfplaats van de staatloze vreemdeling, in ieder geval op basis van:
de aard van het verblijf van de staatloze vreemdeling in het land;
de duur van het verblijf van de staatloze vreemdeling in het land; en
de banden, die de staatloze vreemdeling heeft met het land.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser uit Syrië afkomstig is. Hij is geboren in Homs en heeft tot zijn vertrek in 2014 altijd in Syrië gewoond, gewerkt en gestudeerd. Na zijn vertrek heeft eiser kort in Libanon, de Verenigde Arabische Emiraten en Egypte verbleven en voor langere tijd in Turkije. Gelet op de aard en de duur van eisers verblijf in Syrië en de banden die eiser met Syrië heeft, is de rechtbank van oordeel dat verweerder Syrië terecht heeft aangemerkt als gebruikelijke verblijfplaats. Eisers verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2025, een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 april 2025en het arrest Alheto van het Hof, brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. In de uitspraak van de rechtbank was de vraag aan de orde of verweerder terecht had geconcludeerd dat de vreemdeling als vluchteling was erkend op de Westelijke Jordaanoever en of hij daar bescherming genoot of kon genieten en of de aanvraag daarom op goede gronden niet-ontvankelijk was verklaard. In het arrest Alheto ging het om de vraag of de vreemdeling, die geregistreerd was bij de UNRWA en tijdelijk in Libanon had verbleven, voldoende bescherming in Libanon kon ontvangen zodat de asielaanvraag niet-ontvankelijk kon worden verklaard. Beide situaties zijn in deze procedure niet aan de orde. Verweerder heeft eisers asielaanvraag inhoudelijk beoordeeld. Ook de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2025 is niet van toepassing, omdat die uitspraak ziet op de vraag of de vreemdeling toegang heeft tot zijn land van herkomst of gebruikelijke verblijfsplaats. Ook die vraag is in deze procedure niet aan de orde. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder ongeloofwaardig kunnen vinden dat eiser dienstplichtig is?
7. Eiser stelt zich op het standpunt hij bij terugkeer in Syrië oproepbaar is voor de militaire dienstplicht. Hij heeft verklaard dat hij voorafgaand aan zijn vertrek in 2014 uitstel van zijn militaire dienstplicht heeft gehad vanwege zijn studie. Maar, nu hij geen uitstel meer heeft, stelt eiser weer oproepbaar te zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit ongeloofwaardig kunnen vinden. Verweerder heeft terecht gewezen op informatie uit het ambtsbericht waaruit blijkt dat de dienstplicht is opgeheven en dat rekrutering op vrijwillige basis plaatsvindt. Ook wat betreft een eventuele dienstplicht voor Palestijnen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het ambtsbericht daarvoor geen grond biedt. De pagina’s 101 en 102 waar eiser naar heeft verwezen, bieden voor deze stelling geen onderbouwing, omdat deze pagina’s zien op de situatie van atheïsten en lhbtiq+’ers. Dat het gaat om een uitgestelde dienstplicht en dat eiser op papier nog steeds dienstplichtig is, heeft eiser evenmin onderbouwd. Op zitting heeft eiser erkend dat hij verweerders standpunt niet onderbouwd kan weerleggen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade?
8. In een brief aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025 heeft verweerder aangegeven dat naar aanleiding van het ambtsbericht nieuw landgebonden beleid voor Syrië is ingericht, waarin – kort gezegd – is bepaald dat voor heel Syrië sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. Verweerder motiveert dat in de beschikking en het verweerschrift als volgt. Op 8 december 2024 heeft een brede coalitie van gewapende (oppositie)groepen, onder leiding van Hay’at Tahrir al-Sham (HTS) het regime van Assad omvergeworpen. HTS verklaarde dat de burgerbevolking in het voormalige regimegebied zou worden beschermd en kondigde algemene amnestie aan voor dienstplichtigen in het Syrische leger; voor heel Syrië werd de algemene dienstplicht afgeschaft. Het grondgebied dat onder de nieuwe overgangsregering van Syrië valt, omvat het voormalige oppositiegebied in het noordwesten en het voormalige regimegebied, waar ook de stad Homs gelegen is. De veiligheidssituatie in Syrië is weliswaar als volatiel aangemerkt, maar uit het ambtsbericht volgt volgens verweerder dat het geweld incidentele geweldsuitbarstingen betreft en dat het aantal geregistreerde geweldsincidenten in het eerste kwartaal van 2025 is gedaald ten opzichte van eerdere kwartalen. Daarnaast geldt dat het aantal burgerslachtoffers (afgezet tegen het totale bevolkingsaantal) relatief laag is:
“Voor Syrië geldt dat het land 23.865.423 inwoners heeft en het aantal slachtoffers in het eerste kwartaal van 2025 0,008% van de totale bevolking uitmaakt. Voor Homs geldt dat de stad 1.563.600 inwoners heeft en het aantal slachtoffers in het eerste kwartaal van 2025 0,006% van de totale bevolking uitmaakt.”
Verder volgt volgens verweerder uit het ambtsbericht dat veel van de slachtoffers het slachtoffer zijn van gericht geweld langs religieuze en etnische lijnen. Datzelfde volgt uit de beschrijving voor de stad Homs waaruit blijkt dat het geweld vooral is gericht op alawieten en alawitsche wijken. Uit de beschrijving van de situatie in Homs volgt dat, hoewel de situatie voor de veiligheidstroepen als een grote uitdaging wordt gezien, er verschillende maatregelen zijn genomen om de veiligheid te garanderen op plaatsen waar veel alawieten wonen.
Op basis van deze informatie heeft verweerder geconcludeerd dat het in algemene zin beter gaat in Syrië. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat de overgangsregering haar autoriteit nog niet in alle gebieden heeft gevestigd, alsook dat het op dit moment niet duidelijk is hoe de verschillende (gewapende) groeperingen zich in de toekomst tot de nieuwe regering zullen gaan verhouden en hoe de situatie zich verder zal consolideren. Dat neemt volgens verweerder echter niet weg dat de situatie sinds de val van het Assad-regime en de machtsovername door de nieuwe autoriteiten zich zodanig heeft
gestabiliseerd - en in het algemeen heeft verbeterd - dat thans beslissingen op asielaanvragen genomen kunnen worden en dat er geen reden is in het algemeen een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer aan te nemen, tenzij daar een specifieke
individuele reden toe bestaat. Daarvan is volgens verweerder niet gebleken.
Eiser voert aan dat de veiligheidssituatie op dit moment in Syrië te onzeker is om een besluit op een asielaanvraag te kunnen nemen. Uit het EUAA-rapport ‘Interim Country Guidance: Syria’ van juni 2025 blijkt dat er onvoldoende basis is om de mate van willekeurig geweld als bedoeld in van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder het besluitmoratorium had moeten verlengen. Verweerder geeft er geen blijk van de ernstige humanitaire situatie in Syrië in zijn besluitvorming te hebben betrokken.
Wat betreft eisers standpunt dat verweerder ten onrechte het besluitmoratorium voor asielzoekers uit Syrië niet heeft verlengd, overweegt de rechtbank dat op zitting is voorgehouden dat de rechtbank niet bevoegd is om daarover een oordeel te geven. Alleen de Afdeling is daartoe bevoegd. Of verweerder het besluitmoratorium heeft mogen beëindigen, kan daarom niet in deze procedure worden beoordeeld.
Wat betreft verweerders beoordeling van de mate van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn volgt de rechtbank eiser in zijn standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de laagste gradatie is aangewezen. In de uitspraak van 16 juli 2025 heeft de Afdeling de feiten en omstandigheden besproken die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn:
- de algemene veiligheidssituatie;
- regionale spreiding van het geweld;
- gerichtheid van het geweld en het risico op willekeurige burgerslachtoffers;
- veiligheidsstructuur;
- gebied van terugkeer;
- ontheemden;
- humanitaire omstandigheden.
Met betrekking tot de algemene veiligheidssituatie en de veiligheidsstructuur heeft eiser er onderbouwd op gewezen dat die na de val van Assad nog steeds fragiel en diffuus zijn. Ter onderbouwing heeft eiser onder meer gewezen op een brief van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) van 14 oktober 2025. VWN heeft zijn informatie gebaseerd op meerdere bronnen en beschrijft een situatie van aanhoudend, wijdverbreid en willekeurig geweld door diverse, vaak niet-geïdentificeerde actoren. Burgers lopen voortdurend risico op moord, ontvoering of verwonding. Uit het overgelegde rapport Country of Origin Information, Syria Security Information, blijkt dat de veiligheidssituatie in Homs in 2025 is verslechterd, waarbij Homs is genoemd als een brandpunt van veiligheidschaos, waar gewapende groeperingen en voormalige milities opereren buiten enig gezag. Ook heeft eiser gewezen op het EUAA-rapport waarin is geconcludeerd dat een stabiele machtsstructuur ontbreekt, voortdurend sprake is van buitenlandse militaire inmenging en dat sprake is van onderrapportage vanuit Syrië over de situatie. De feitelijke macht in Homs is op onoverzichtelijke wijze verdeeld tussen lokale milities, voormalige veiligheidsdiensten en gewapende groeperingen. Het is moeilijk om een onderscheid te maken tussen gericht en willekeurig geweld. De rechtbank ziet niet dat verweerder deze landeninformatie kenbaar heeft betrokken bij zijn besluitvorming.
Voorts heeft eiser erop gewezen dat in de brief van VWN van 14 oktober 2025 is beschreven dat Homs behoort tot de provincies met de meeste incidenten met landmijnen en niet-ontplofte munitie, waardoor burgers blijvend gevaar lopen. De rechtbank wijst op de 15c bijlage bij de Nota landenbeleid Syrië van 10 juni 2025 waarin is vermeld dat verspreid over heel Syrië ontplofbare oorlogsresten, waaronder mijnen en niet-gesprongen munitie, een aanhoudende, ernstige bedreiging voor het leven van burgers vormen. De rechtbank kan niet vaststellen dat deze informatie daadwerkelijk betrokken is bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld.
Wat betreft de humanitaire situatie in Syrië verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 16 juli 2025. Hierin heeft de Afdeling geoordeeld dat de humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend zijn in de globale beoordeling van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Maar humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, moeten wel als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling worden betrokken.
8.4.3.1 Ter onderbouwing van de ernstige humanitaire situatie wijst eiser op het ambtsbericht van mei 2025 waarin is vermeld dat de ernst van de humanitaire situatie in Syrië ten tijde van en na de val van Assad groter is dan tijdens de oorlog. Meer dan 90% van de bevolking leeft onder de armoedegrens en volgens cijfers van Unicef leden meer dan 500.000 kinderen onder de vijf jaar aan levensbedreigende ondervoeding, met nog eens 2 miljoen kinderen op de rand van ondervoeding. Uit het rapport Syria Security situation, genoemd in 8.4.1, blijkt dat de situatie in Homs in 2025 ernstig is verslechterd. De situatie in Syrië wordt beschreven als een veiligheidschaos waar gewapende groeperingen en voormalige milities opereren buiten enig gezag, in een gebied als Homs is volgens het rapport sprake van een ‘security breakdown’. Dertien jaar conflict heeft de infrastructuur grotendeels verwoest; scholen, ziekenhuizen, elektriciteits- en watervoorzieningen functioneren nauwelijks en de economie verkeert in een staat van instorting.
8.4.3.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat de humanitaire omstandigheden niet worden meegewogen in de globale beoordeling als die een gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor, hier het regime Assad, die partij was in een inmiddels geëindigd gewapend conflict en deze actor volledig van het toneel is verdwenen en dus niet meer betrokken is bij het huidige geweld. Datzelfde geldt volgens verweerder voor zover de humanitaire situatie het gevolg is van economisch wanbeleid van het oude regime, van internationale economische sancties tegen het oude regime of het wegvallen van internationale noodhulp. In die situatie vloeien de humanitaire omstandigheden niet voort uit het handelen of nalaten van een actor die partij is bij een actief gewapend conflict en daarom vallen die omstandigheden buiten het toepassingsbereik van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
8.4.3.3 De rechtbank volgt verweerder hierin niet. De rechtbank begrijpt de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 anders, namelijk dat niet alleen de humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van het handelen of nalaten van de strijdende partijen in een gewapend conflict moeten worden betrokken, maar ook de humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict. Alleen als slechte humanitaire omstandigheden niet in verband staan met het willekeurig geweld, zijn deze in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, niet relevant. De rechtbank acht het standpunt van verweerder dan ook niet houdbaar. Verweerder heeft ten onrechte de omstandigheden, waar eiser op heeft gewezen, niet betrokken.
Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank behelst de verslagperiode van het ambtsbericht van mei 2025 daarvoor een te korte periode en blijkt uit meerdere andere bronnen dat de veiligheidssituatie fragiel, slecht en onduidelijk is. De beroepsgrond slaagt.
Aan een beoordeling van de beroepsgrond, of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van persoonlijke, individuele omstandigheden het risico loopt op ernstige schade, komt de rechtbank niet meer toe.
Conclusie en gevolgen
9. Het is beroep is gegrond, omdat verweerder het besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand gekomen. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 17 juni 2025 en het aanvullende besluit van 13 oktober 2025;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Battjes, voorzitter, mr. M. Kraefft en mr. M.A.J. van Beek, leden, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.