[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. A. Heida),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker vanwege het besluit van 22 september 2025, waarin de minister de aanvraag van verzoeker van 4 juli 2025 niet in behandeling heeft genomen omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft op 23 september 2025 beroep ingesteld tegen het besluit van 22 september 2025. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het beroep, op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister. Verzoeker is niet verschenen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Het verzoek strekt er toe dat verzoeker gedurende de behandeling van zijn beroep niet aan Duitsland wordt overgedragen. De minister heeft aan verzoeker meegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten en dat hij aan Duitsland zal worden overgedragen. Verzoeker heeft daarom een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
4. Het beroep van verzoeker is bij beslissing van vandaag voor behandeling doorverwezen naar een meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. Uitspraak in die zaak zal niet op heel korte termijn zijn te verwachten. Verzoeker heeft er belang bij om de uitkomst van het beroep in Nederland af te kunnen wachten. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om een voorlopige voorziening toe.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat zij het bestreden besluit schorst en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Duitsland totdat op het beroep tegen het besluit van 22 september 2025 is beslist. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Duitsland totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.