[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. D.C. Coppens),
en
de staatssecretaris van Defensie, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. A.N. Koster).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de mededeling dat hij niet wordt voorgedragen voor de functie van Stafdirigent.
Met het bestreden besluit van 20 december 2024 op het bezwaar van verzoeker is de staatssecretaris gebleven bij zijn besluit om verzoeker niet voor te dragen voor de functie.
Bij e-mail van 30 januari 2025 heeft de staatssecretaris de rechtbank laten weten dat de vervulling van de vacature voor de functie van Stafdirigent heeft opgeschort tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de staatssecretaris en luitenant-kolonel [naam] , Coördinator Muziek Krijgsmacht (C-MMK).
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoeker daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker is werkzaam bij de Koninklijke Luchtmacht. Tot 1 januari 2020 was verzoeker muzikant-onderofficier bij het CLSK. Verzoeker ambieerde de functie van Dirigent Koninklijke Luchtmacht kapel en in dat kader heeft het CLSK een aantal loopbaanafspraken met hem gemaakt die zijn vastgelegd in de zogenoemde loopbaanbrief van 27 november 2019. In de loopbaanbrief is verzoekers ontwikkeltraject beschreven en is vermeld dat hij in 2025 de functie van Stafdirigent zal worden toegewezen voor een periode van zeven jaren. Dit betreft een wisselfunctie bij het DOSCO wat betekent dat dit krijgsmachtonderdeel bevoegd is de functie-eisen vast te stellen en mag bepalen of een militair geschikt is voor de functie. Het DOSCO is niet betrokken in de loopbaanafspraken die het CLSK met verzoeker heeft gemaakt. Anders dan in het briefhoofd van de loopbaanbrief is vermeld, is de loopbaanbrief niet in afschrift aan het toenmalig Hoofd P&O van het DOSCO gezonden. Nadat verzoeker eerst tijdelijk in de functie van Dirigent Koninklijke Luchtmacht kapel is aangesteld, is de functie met ingang van 25 januari 2021 aan hem toegewezen in de rang van majoor.
3. Pas in november 2022 heeft de C-MMK van de loopbaanbrief uit 2019 kennis genomen en heeft hij die brief gedeeld met het Hoofd P&O van het DOSCO. Er is daarna een aantal keer contact geweest tussen het CLSK en het DOSCO. Het DOSCO wilde dat de afspraak over de toewijzing van de functie van Stafdirigent uit de loopbaanbrief zou worden verwijderd. Het CLSK was hiertoe niet bereid.
4. Gelet op de loopbaanbrief en de discussie die hierover is ontstaan, heeft het DOSCO besloten de vacature voor de functie van Stafdirigent nog niet te publiceren. Het DOSCO was bereid eerst een selectiegesprek met verzoeker te houden. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2024. Op 29 augustus 2024 is aan verzoeker mondeling meegedeeld dat hij niet geschikt wordt geacht voor de functie van Stafdirigent en daarom niet voor de functie wordt voorgedragen. Bij e-mail van 13 september 2024 heeft de voorzitter van de selectiecommissie, de C-MMK, gemotiveerd waarom de selectiecommissie hem niet geschikt vindt.
Wat vindt verzoeker?
5. Verzoeker is het er niet mee eens dat de functie van Stafdirigent niet aan hem wordt toegewezen. Verzoeker beroept zich op het vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat hij er al die tijd op heeft vertrouwd en er op mocht vertrouwen dat de loopbaanafspraken die in de brief van 27 november 2019 zijn opgenomen bindend zijn en hij in lijn met die afspraken per 25 januari 2025 bevorderd zou worden en op de functie van Stafdirigent zou worden geplaatst. Verder stelt hij dat hij er ook op mocht vertrouwen dat zijn geschiktheid voor de functie al was vastgesteld met de loopbaanafspraken.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
6. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
7. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn betoog dat hij er op mocht vertrouwen dat de functie van Stafdirigent aan hem zou worden toegewezen. Weliswaar staat in de loopbaanbrief uit 2019 met duidelijke bewoordingen dat hij tot 2025 op de functie van Dirigent Koninklijke Luchtmacht kapel wordt geplaatst en daarna aan hem de functie van Stafdirigent zal worden toegewezen, maar mede gelet op de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de jaren daarna, kan niet worden gesproken van een gerechtvaardigd vertrouwen dat aan hem zondermeer de functie van Stafdirigent zou worden toegewezen. Daarbij zijn de afspraken gemaakt met het CLSK, het dienstonderdeel waar hij dirigent werd, terwijl de functie van Stafdirigent overstijgend is aan de verschillende defensie onderdelen en DOSCO hierover gaat. Uit de stukken blijkt dat verzoeker hiervan in ieder geval heeft geweten vanaf het telefoongesprek op 20 juni 2023.
8. Gebleken is dat verzoeker in de periode 2020-2021 als Dirigent Koninklijke Luchtmacht kapel een positieve beoordeling/assessment heeft gekregen, maar vanwege de Coronapandemie nauwelijks dirigeerwerkzaamheden heeft verricht in die tijd. Daarna kreeg verzoeker een burnout en heeft hij in 2022 ook geen dirigeerwerkzaamheden verricht. Hij heeft vervolgens maar één keer gedirigeerd, bij het Bevrijdingsconcert in 2023. Vanaf juni 2023 is verzoeker in overleg ‘van de bok’ gegaan en heeft hij niet meer gedirigeerd bij het orkest van de Koninklijke Luchtmacht. Sinds die tijd heeft hij werkzaamheden als artistiek leider verricht. Verzoeker moest zich realiseren dat hij zich onder deze feiten en omstandigheden niet op het ontwikkeltraject kon blijven baseren. Zeker gelet ook op het feit dat de functie van Stafdirigent veel omvattender is dan de functie van Dirigent van het orkest van de Koninklijke Luchtmacht én gelet op het grote tijdsverloop tussen 2019 en 2025. Verzoekers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.
9. Nu geen sprake is van een gerechtvaardigd vertrouwen, kon verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden uitgenodigd voor een gesprek om te kijken of verzoeker geschikt is om de functie van Stafdirigent met ingang van mei 2025 over te nemen. In de uitkomst van dit gesprek kan de voorzieningenrechter zich niet direct mengen.
De beslissing van een bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure, zoals hier aan de orde, is het resultaat van een beoordeling van de capaciteiten van de betrokkene tegen de achtergrond van de functie-eisen. Daarbij heeft het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid. Daarom is de toetsing door de rechter terughoudend en is in beginsel beperkt tot de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen.
10. De staatssecretaris heeft gekeken in hoeverre verzoeker voldoet aan de opleidings- en ervaringseisen die zijn genoemd in de functiebeschrijving. Voor de staatssecretaris is de inhoud van het selectiegesprek doorslaggevend geweest voor de beoordeling van verzoekers geschiktheid voor de functie. Uit dit selectiegesprek dat verzoeker heeft gevoerd met drie personen, onder wie de vertrekkende stafdirigent, is naar voren gekomen dat verzoeker niet voldoet aan de kennis- en opleidingseisen, hij te weinig blijk heeft gegeven van ambitie in de militaire muziek die het CLSK overstijgt en hij te weinig heeft gewerkt richting het profiel van Stafdirigent. De conclusie was dan ook dat verzoeker niet geschikt is voor de functie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris voldoende gemotiveerd waarom verzoeker geen geschikte kandidaat is voor de senior positie die de Stafdirigent vervult. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris verzoeker redelijkerwijs mogen afwijzen voor de functie.
11. Aan verzoeker kan worden toegegeven dat hij dispensatie heeft gekregen voor de officiersopleiding, maar overeind blijft staan dat het diploma van de majoorsopleiding en het directiediploma HaFaBRa ook worden gevraagd. Deze diploma’s heeft verzoeker niet. Verder is niet gebleken dat verzoeker aantoonbare ervaring heeft op gelijkwaardig niveau. Aan de omstandigheid dat verzoeker alsnog de gevraagde opleidingen zou willen volgen, heeft de staatssecretaris minder waarde kunnen toekennen, nu het niet voldoen aan de kennis- en opleidingseisen niet de enige reden is waarom verzoeker niet geschikt is bevonden voor de functie.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.