RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1] en [eiser 2], eisers
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.28760 en NL25.28762
V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2]
(gemachtigde: mr. J.E. de Poorte),
en
(gemachtigde: mr. K. Diender).
Procesverloop
Bij besluiten van 25 juni 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de
aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde
tijd (opnieuw) niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben
verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 9 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen.
Op 10 juli 2025 zijn eisers overgedragen aan Frankrijk.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd aan partijen of zij wel een zitting wilden. Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend om de zaak zonder zitting, op basis van de stukken, af te doen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Eisers stellen van Russische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1987 en [geboortedatum 2] 2002. Eisers hebben een (pasgeboren) dochter, geboren op [geboortedatum 3] 2025. Verweerder heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 25 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2. Uit Eurodac is gebleken dat eisers op 22 maart 2023 dan wel 27 mei 2024 in Hongarije en op 18 april 2023 dan wel 14 juni 2024 in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend.
Eisers hebben eerder op 15 december 2024 asielaanvragen ingediend. Deze zijn bij (afzonderlijke) besluiten van 27 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk was voor de behandeling van de asielaanvragen. Bij uitspraken van 1 mei 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, de beroepen hiertegen kennelijk ongegrond verklaard (NL25.16088 en NL25.16089 (beide niet gepubliceerd op rechtspraak.nl)). In die procedure heeft de rechtbank – kort samengevat – geoordeeld dat in het geval van eisers (en hun pasgeboren dochter) kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten
aanzien van Frankrijk. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van bijzondere kwetsbaarheid in de zin van het arrest Tarakhel en dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de
Dublinverordening in behandeling te nemen.
Met de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers opnieuw op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eisers hebben niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico lopen op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook hebben eisers geen bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om hun asielaanvragen onverplicht inhoudelijk in behandeling te nemen en toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Er is geen sprake van bijzondere kwetsbaarheid in de zin van het arrest Tarakhel.
Eisers voeren in de onderhavige procedures hoofdzakelijk dezelfde beroepsgronden aan als tegen het besluit op hun eerste asielaanvraag. Zo stellen eisers
opnieuw dat zij als bijzonder kwetsbaar moeten worden aangemerkt en dat de Franse autoriteiten onvoldoende kunnen of willen voldoen aan de zorgbehoeftes van eiseres en hun pasgeboren dochter.
Met de uitspraak van 9 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter de verzochte voorzieningen geweigerd en geoordeeld dat er, de specifieke feiten en omstandigheden van eisers in ogenschouw genomen, ten aanzien van Frankrijk nog steeds uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat verweerder niet ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 17 van de Dublinverordening. Ook eerder is deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, tot dit oordeel gekomen, middels haar uitspraken van 1 mei 2025 (vlg. 2.1.). De rechtbank heeft geen reden om thans anders te oordelen en verwijst in dit kader naar de dragende overwegingen 4. en verder van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2025 (NL25.28761 en NL25.28763), en de eerdere uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 1 mei 2025 (r.o. 5. ev.). Er is ook thans geen reden om aan te nemen dat er ten aanzien van Frankrijk niet (langer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 17 van de Dublinverordening neergelegde discretionaire bevoegdheid of dat in dit geval sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid in de zin van de Tarakhel uitspraak. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
3. De beroepen zijn ongegrond.
4. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.M. Plukaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.