Voorlopige voorziening
Beschikking op het op 9 september 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Alkilic in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.M. Buijs-van Bemmel in Krimpen aan den IJssel.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 30 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt, bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding, te bepalen dat de man met ingang van 1 oktober 2025 maandelijks aan de vrouw bruto € 9.331,- betaalt als uitkering tot levensonderhoud, te voldoen voor de eerste van iedere maand.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Aan de Nederlandse rechter komt in deze voorlopige voorzieningenprocedure rechtsmacht toe. De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.
Voorlopige partneralimentatie
De vrouw verzoekt een voorlopige partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
In deze voorlopige voorzieningenprocedure is niet in geschil dat de draagkracht van de man de beperkende factor is, en beperkt is tot € 1.607,- per maand. Tussen partijen is enkel in geschil of de vrouw behoeftig is. De vrouw stelt dat zij niet in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en dat zij behoeftig is. De man betwist dit en voert aan dat de vrouw eigen inkomsten en vermogen heeft, en dat zij bovendien in Turkije verblijft, waar de kosten van levensonderhoud aanzienlijk lager zijn dan in Nederland. De vrouw betwist dit.
De rechtbank constateert dat in deze procedure op verschillende punten nog onduidelijkheden bestaan. Wel is duidelijk geworden dat de vrouw in Nederland geen inkomen uit loondienst geniet en dat de vrouw in Turkije geen inkomen uit loondienst heeft. Daarnaast heeft de man weliswaar gesteld dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien door inkomen uit vermogen, maar is de rechtbank van oordeel dat – nog daargelaten dat hierover verschillende vragen en onduidelijkheden bestaan – in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure met mogelijk inkomen uit vermogen geen rekening dient te worden gehouden. Daarmee komt de rechtbank tot het oordeel dat de vrouw behoefte heeft aan een voorlopige bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat de draagkracht van de man de beperkende factor vormt, zal de rechtbank de hoogte van de behoefte van de vrouw niet nader vaststellen. De rechtbank zal gelet op het voorgaande, de door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie bepalen op € 1.607,- bruto per maand. In het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure acht de rechtbank het redelijk om de datum van de beschikking – te weten 13 november 2025 – als ingangsdatum te hanteren.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van de beschikking, een voorlopige partneralimentatie moet betalen van € 1.607,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het meer of anders verzochte over de voorlopige partneralimentatie afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 13 november 2025 voorlopig een partneralimentatie van € 1.607,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst af het meer of anders verzochte.