Alimentatie
Beschikking op het op 17 maart 2025 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Zoutberg te [geboorteplaats] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Devkinandan te Zoetermeer.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 17 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
De vrouw is zelf – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter zitting verschenen.
Feiten
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats] .
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man luidt – na wijziging ter zitting – om met wijziging van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 10 december 2021 – met ingang van de datum van toelating tot de schuldsaneringsregeling de kinderalimentatie primair op nihil te stellen en subsidiair vast te stellen op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
De man beroept zich op het eerste lid van artikel 1:401 BW. Volgens de man is er sprake van een wijziging van omstandigheden. De man heeft een schuld van afgerond € 38.000,- en is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering. De man kan daarom het vastgestelde bedrag aan kinderalimentatie niet meer betalen.
De rechtbank stelt vast dat de man per 6 oktober 2025 is toegelaten tot de regeling op grond van de WSNP. Daarmee is sprake van een wijziging van omstandigheden. De rechtbank zal de man daarom ontvangen in het verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de rechterlijke uitspraak.
Inhoudelijke beoordeling
Hoofdregel is dat er tijdens het traject op grond van de WSNP, geen draagkracht bestaat voor het betalen van alimentatie.
Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat de bewindvoerder een berekening heeft gemaakt van het vrij te laten bedrag. In die berekening is te zien dat er in het vrij te laten bedrag geen ruimte is voor kinderalimentatie. De rechtbank stelt vast dat de rechter-commissaris het door de bewindvoerder voorgestelde vrij te laten bedrag heeft geaccordeerd.
Van omstandigheden die maken dat van de man verwacht kan worden dat hij de rechter-commissaris vraagt om bij het vaststellen van het vrij te laten bedrag toch rekening te houden met een onderhoudsbijdrage, is niet gebleken. Of de schulden van de man verwijtbaar en vermijdbaar zijn, zoals de vrouw stelt, is daarvoor niet van belang. De gronden voor toelating tot de WSNP zijn getoetst door de rechter en de man krijgt met deze toelating een spreekwoordelijke tweede kans.
Dit betekent dat de rechtbank conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen de door de man te betalen bijdrage aan kinderalimentatie op nihil zal stellen voor de duur van het schuldsaneringstraject. Op het moment dat het schuldsaneringstraject is beëindigd, herleeft de alimentatieplicht van de man. De rechtbank gaat er vanuit dat de man de vrouw er tijdig van op de hoogte zal brengen dat het schuldsaneringstraject eindigt en de betaling van de kinderalimentatie dan zal hervatten.
De advocaat van de man heet er ter zitting voorts op gewezen dat de tot de datum van de toelating tot de WSNP opgebouwde alimentatieachterstand wordt behandeld als preferente schuld, zodat daarvoor een dubbel percentage geldt ten opzichte van concurrente vorderingen.
De rechtbank zal het verzoek van de man tot nihilstelling van de kinderalimentatie toewijzen met ingang van de datum van de toelating tot de regeling op grond van de WSNP.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 10 december 2021 – :
stelt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats] en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats] , met ingang van 6 oktober 2025 op nihil voor de duur van de regeling op grond van de WSNP;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.