[eiseres] , eiseres en verzoekster (hierna: eiseres),
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. M.T.M. Hoppema).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 juli 2025 niet in behandeling genomen omdat hij België verantwoordelijk acht voor de aanvraag.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting aangehouden om verweerder de gelegenheid te bieden een BMA-onderzoek te laten verrichten en informatie op te vragen bij de autoriteiten van België over het visum van eiseres. De rechtbank heeft het onderzoek op 25 november 2025 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Waarover gaat deze uitspraak?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiseres is België ingereisd met een verblijfsvergunning die haar is verleend in het kader van gezinshereniging bij haar man in België. Eiseres heeft op 10 maart 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
De rechtbank komt in deze zaak tot het oordeel dat verweerder niet heeft kunnen concluderen dat eiseres kan worden overgedragen aan België gelet op haar medische situatie. Het beroep is gegrond. De rechtbank legt hierna, aan de hand van de beroepsgronden van eiser, uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
Totstandkoming van het besluit
3. Eiseres heeft verklaard tijdens het aanmeldgehoor op 28 maart 2025 dat zij via Turkije naar Brussel is gevlogen. Op basis van deze informatie heeft verweerder een onderzoek gestart bij de autoriteiten van België om te achterhalen of België aan eiseres een visum heeft verstrekt. Op 8 april 2025 hebben de autoriteiten van België gereageerd. De Belgische autoriteiten hebben eiseres een verblijfsvergunning verleend voor gezinshereniging bij haar man, geldig tot 24 oktober 2025. Op 29 januari 2025 hebben de Belgische autoriteiten het visum ingetrokken wegens de scheiding van eiseres met haar man.
De Europese Unie (EU) heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat op grond van de Dublinverordening België verantwoordelijk is voor de behandeling hiervan. Op 26 mei 2025 heeft verweerder een verzoek om overname verstuurd naar België. Dat verzoek hebben de Belgische autoriteiten op 27 mei 2025 geaccepteerd op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Daarmee is de verantwoordelijkheid van België vast komen te staan.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
4. Eiseres betoogt dat België niet verantwoordelijk is voor de behandeling van haar verzoek om internationale bescherming, nu zij geen houder is van een geldig visum zoals bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Nu het visum is ingetrokken op 29 oktober 2025 kan zij niet worden overgedragen op grond van dit artikel. Ook de andere leden van artikel 12 van de Dublinverordening zijn niet op eiseres van toepassing, nu het niet gaat om verlopen of frauduleus verkregen visum, maar een ingetrokken visum.
5. Verweerder heeft op zitting het standpunt ingenomen dat er in het geval van eiseres sprake is van een visum dat minder dan zes maanden geleden is verlopen en hierom artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening van toepassing is. Het visum van eiseres is per 29 januari 2025 ingetrokken, zo stelt verweerder.
6. De rechtbank heeft verweerder ter zitting opgedragen om informatie op te vragen over het ingetrokken visum bij de Belgische autoriteiten.
Na navraag door verweerder bij de Belgische autoriteiten, is gebleken dat het visum van eiseres niet is ingetrokken. Verweerder heeft op verzoek van eiseres en de rechtbank de communicatie met België geüpload waaruit blijkt dat het visum van eiseres niet ingetrokken kan worden zonder haar te horen.
Eiseres voert aan dat deze nieuwe informatie in strijd is met de eerdere informatie die verweerder heeft ontvangen naar aanleiding van een verzoek om informatie op grond van artikel 34, van de Dublinverordening.
De rechtbank stelt vast dat eiseres toen het claimakkoord tot stand kwam, in bezit was van een geldig visum. Dat visum bleek, na informatie die in beroep van de Belgische autoriteiten is verkregen, toch niet te zijn ingetrokken. Dat maakt dat er nu geen reden meer is om te twijfelen aan de juistheid van de acceptatie van de claim op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Is overdracht in strijd met de internationale verplichtingen?
7. Eiseres voert aan dat er in België sprake is van systeemfouten in de zin van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening door het gebrek aan opvangplaatsen, de rechtsbescherming in België die niet effectief is en de onverschilligheid van de autoriteiten om gerechtelijke uitspraken uit te voeren en dwangsommen te betalen. Eiseres wijst op de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025 waarin bovenstaande wordt overwogen. Uit deze uitspraak volgt dat noodopvangplaatsen vooral worden ingezet voor gezinnen met kinderen, voorlopig geen perspectief is op de opening van nieuwe opvangplaatsen, en dat er tekortkomingen zijn in de opvangvoorzieningen die als structureel moeten worden beschouwd. Weliswaar betrof het in deze zaak een alleenstaande man en is eiseres een alleenstaande vrouw, maar het meest recente AIDA-rapport van 18 juni 2025 (update 2024) laat zien dat ook eiseres, als kwetsbare vrouw, te maken zal krijgen met de gevolgen van de opvangcrisis in België. Eiseres wijst op passages waaruit blijkt dat terugkeerders in het kader van Dublin niet automatisch recht hebben op opvang, op een wachtlijst worden geplaatst en in de tussentijd op straat slapen. Dit rapport is nog niet door de Afdeling betrokken. Eiseres loopt bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
8. De rechtbank oordeelt dat verweerder, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, in dit geval mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In deze uitspraak wordt geconcludeerd dat er in België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, tenzij de vreemdeling een niet-kwetsbare alleenstaande man betreft. Bij dat oordeel heeft de Afdeling informatie betrokken waaruit blijkt dat wegens het gebrek aan reguliere opvangplaatsen bij de toewijzing voorrang wordt gegeven aan families, kinderen, vrouwen en andere kwetsbare personen. De Afdeling heeft geoordeeld dat de Belgische autoriteiten niet kunnen garanderen dat er voor iedereen direct een reguliere opvangplaats beschikbaar is en dat zij ervoor hebben gekozen niet-kwetsbare alleenstaande mannen tijdelijk uit te sluiten. Hoewel dit een tekortkoming in het systeem betreft, is deze enkele schending van de opvangverplichtingen volgens de Afdeling echter onvoldoende voor het oordeel dat voor België niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiseres is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij als kwetsbare vrouw geen toegang zal krijgen tot de opvang, nu het een eerste asielaanvraag betreft en zij dus niet wordt gezien als een opvolgende aanvraagster, zoals wordt overwogen op pagina 70 van het AIDA-rapport. Ook de verwijzingen van eiseres naar pagina 115 en verder zijn hiertoe ontoereikend, nu de door eiseres aangehaalde passages hoofdzakelijk gaan over het structurele gebrek aan toegang tot opvang voor alleenstaande, meerderjarige, niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers. Dat de Belgische autoriteiten ambitie hebben om op de opvangcapaciteit af te bouwen is niet voldoende om het aannemelijk te achten dat eiseres geen toegang zal krijgen tot de opvang. De beroepsgrond slaagt niet.
Kan eiseres worden overgedragen?
9. Eiseres voert aan dat het van onevenredige hardheid zou getuigen om haar naar België over te dragen en dat verweerder haar asielaanvraag in behandeling moet nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiseres heeft verklaard in het aanmeldgehoor van 28 maart 2025 dat zij ernstig is mishandeld door haar man in België. Eiseres heeft hier psychische klachten aan overgehouden. Zij doet in dat verband een beroep op het arrest C.K. Eiseres kampt met ernstige psychische klachten waardoor overdracht een ernstig en onomkeerbaar risico voor haar geestelijke gezondheid zou opleveren. In dat verband verwijst eiseres naar een medische verklaring van 16 september 2025 van haar behandelend GZ-psycholoog bij [naam bedrijf] dat zij in beroep heeft overgelegd. Hierin staat dat zij stellig is in haar overtuiging om suïcide te plegen indien zij wordt teruggestuurd naar België door wat zij heeft meegemaakt in België met haar ex-man. Eiseres is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis en depressieve stoornis. Ook wordt haar familie genoemd als beschermende factor in Nederland.
10. De rechtbank heeft naar aanleiding van de medische verklaring van de GZ-psycholoog, verweerder ter zitting opgedragen om een BMA-onderzoek uit te voeren. Dit onderzoek is op 24 oktober 2025 afgerond, waarnaar allebei de partijen een standpunt hebben ingenomen ten aanzien van dit advies.
11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres kan worden overgedragen aan België. Hij heeft hierbij verwezen naar de inhoud van het BMA-advies van 24 oktober 2025. Hieruit volgt dat eiseres kan reizen mits voorafgaand aan de reis een fysieke overdracht is geregeld. Verder is omschreven welke noodzakelijke medische voorzieningen (door derden) vereist is. Verweerder stelt dat hij aan zijn vergewisplicht heeft gedaan nu hij de in het BMA vastgestelde reisvereisten zal uitvoeren en eiseres niet zal worden overgedragen indien blijkt dat niet aan alle reisvoorwaarden kan worden voldaan.
12. Volgens eiseres heeft zij gegevens overgelegd die de bijzondere ernst van haar gezondheidstoestand aantonen en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe de overdracht zou leiden. Daarnaast voert zij aan dat een BMA-advies geen rol kan hebben bij de vraag of de overdracht -in het kader van de Dublinprocedure- of verwijdering zelf zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidssituatie van een vreemdeling of dat er een aanzienlijk risico daarop bestaat aangezien dit buiten de medische deskundigheid van de medisch adviseur ligt. Het BMA beantwoordt enkel of iemand medisch gezien in staat is om te reizen en welke voorwaarden daarbij eventueel aan de orde zijn. Verweerder is er niet in geslaagd de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand en psychische gezondheid van eiseres weg te nemen. Des te meer nu het BMA niets vermeld over de verhoogde kans op suïcide na terugkeer naar België terwijl de GZ-psycholoog wel spreekt van een verhoogd risico op suïcide.
13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er niet in is geslaagd om iedere ernstige twijfel over een schending van artikel 4 van het EU Handvest als gevolg van overdracht weg te nemen. Zij motiveert dat oordeel als volgt.13.1 In de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, waarin ook een beroep op het arrest C.K. aan de orde is, staat onder meer het volgende:
“3.2 Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, onder 7, volgt uit het arrest C.K. dat, wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. Zie de uitspraken van de Afdeling van 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4303, onder 4, en van 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845, onder 2.2.
In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten, de gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van het EU Handvest als gevolg van de overdracht zelf wegnemen. Zie de uitspraken van de Afdeling van 15 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:92, onder 4.3, en van 24 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:586, onder 10. “
Dat verweerder, volgens de Afdeling, om gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van het Handvest weg te nemen, ‘in beginsel’ kan volstaan met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten, betekent niet dat verweerder daarmee in alle gevallen kan volstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van feiten en omstandigheden die maken dat de vergewisplicht meer vereist. Daarbij vindt de rechtbank de volgende informatie over eiseres van belang. 13.2 In de eerder vermelde medische verklaring van 16 september 2025 van de GZ-psycholoog staat het volgende:
“Cliënte is stellig in haar overtuiging suïcide te plegen indien ze teruggestuurd wordt naar België. Op dit moment is de enige beschermde factor haar broer en familie in Nederland. Ze
is overtuigd dat ze opnieuw in de handen valt van haar man die haar getraumatiseerd heeft en heeft de angst vermoord te worden. Mevrouw lijkt vanuit de depressieve stoornis en PTSS nog amper om een ander gedachtespoor gebracht te kunnen worden. Naar inschatting is er dan ook sprake van een verhoogd risico op suïcide.”
In het medisch advies van 24 oktober 2025 van BMA staan de volgende antwoorden op vragen van verweerder:
1b. Zo ja, wat is de aard van de klachten? Kunt u hierbij een samenvatting geven van de meest belangrijke klachten en/of diagnostiek?
Uit de informatie van de behandelend GZ-psycholoog blijkt dat bij betrokkene sprake is van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een depressieve stoornis. Betrokkene ervaart klachten van angst, slaapproblemen en nachtmerries. Ze voelt dagelijks veel druk en spanning door de dreigende uitzetting. Ze heeft geen plezier meer in leuke activiteiten, is vergeetachtig en heeft last van concentratie- problemen. Er is ook sprake van suïcidale gedachten. Betrokkene heeft tegen de huisarts gesproken over twee zelfmoordpogingen,
maar tijdens de intake bij de GZ-psycholoog ontkende zij deze pogingen. Haar familie wordt door de behandelend GZ-psycholoog gezien als een beschermende factor om suïcide te voorkomen. Betrokkene heeft actieve suïcidale plannen als zij gedwongen terug naar België zou moeten, aldus de behandelend GZ- psycholoog. De inschatting van de behandelend GZ-psycholoog is dat er sprake is van een matig tot ernstig risico op suïcide op de middellange termijn.
2a. Staat betrokkene voor de klachten als onder 1 bedoeld onder actieve medische behandeling of wordt medische behandeling binnenkort gestart?
Ja, binnenkort wordt de medische behandeling gestart.
2b. Zo ja, wat is de aard van deze behandeling, door wie wordt deze behandeling gegeven en is de behandeling van tijdelijke of van blijvende aard?
Therapie:
Er wordt wekelijks met betrokkene gesproken om een zelfmoord-poging te voorkomen. Binnenkort wordt gestart met een trauma- behandeling, zoals EMDR of cognitieve gedragstherapie. De behandeling zal bestaan uit wekelijkse gesprekken met een psycholoog. Afhankelijk van de resultaten van deze behandeling kan het nodig zijn dat zij daarna ook een behandeling voor de depressieve klachten krijgt. Voor EMDR zijn over het algemeen 16
sessies geïndiceerd en voor depressieve klachten ongeveer 20 sessies, aldus de behandelend GZ-psycholoog. Doorgaans vinden deze sessies wekelijks plaats, wat neerkomt op een behandelduur van ongeveer negen maanden. In complexe gevallen kan de behandeling langer noodzakelijk zijn. Deze behandeling is van tijdelijke aard.
3c. Indien u de medische reisvoorwaarde van fysieke overdracht aan een medische instelling c.q. behandelaar voorschrijft, kunt u aangeven voor welke behandeling de fysieke overdracht noodzakelijk is?
Een fysieke overdracht aan een psychiater is geïndiceerd vanwege een verhoogd suïciderisico rondom een eventuele uitzetting. De psychiater kan beoordelen hoe betrokkene de reis heeft doorstaan, het risico op suïcide inschatten en, indien nodig, een passende
behandeling starten.
De rechtbank begrijpt uit de informatie van de behandelend GZ-psycholoog dat de psychische klachten van eiseres ernstig zijn en dat de risico’s voor het ontstaan van een acute medische noodsituatie - waaronder het risico op suïcide - voorafgaand aan, tijdens, en na overdracht aan België, hoog zijn. Duidelijk is ook dat de psychische problemen van eiseres en het risico op suïcide verbonden zijn met haar traumatische ervaringen in België, en dat zij familie in Nederland heeft die als beschermende factor werken om suïcide te voorkomen. Het nakomen door verweerder van de reisvereisten die door BMA zijn geadviseerd neemt voor de rechtbank in dit geval niet de twijfel weg dat overdracht van eiseres naar België zal leiden tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor de psychische gesteldheid van eiseres. Ook suïcide is een onomkeerbaar gevolg waarmee in dit geval ernstig rekening moet worden gehouden.
Op grond het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verweerder in dit geval niet (volledig) heeft voldaan aan zijn vergewisplicht en daarmee ook niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat overdracht van eiseres naar België niet van onevenredige hardheid getuigt. De beroepsgrond slaagt. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
Nu met deze uitspraak op het beroep van eiseres is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
Eiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroep- en verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 17 juli 2025;
- draagt verweerder op binnen na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M. Doorman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.