RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48699 (beroep)
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),
en
(gemachtigde: D.A.H. van den Tillaar).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Verweerder heeft daarnaast ambtshalve beoordeeld dat er geen sprake is familieleven in de zin van artikel 8 EVRM tussen eiser en zijn vriendin. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt ook dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en zijn partner als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 4 juli 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 5 november 2021 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg. Dit beroep is ongegrond verklaard op 25 februari 2022. Eiser heeft daaropvolgend hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dit hoger beroep is gegrond verklaard op 8 april 2024, het besluit van 5 november 2021 is vernietigd en eiser is daarna opnieuw gehoord.
3. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van eiser en verweerder en [naam 1] als tolk.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is Vietnamees en is geboren op [geboortedat] 1967. Eiser is sinds 2006 in Nederland. Eiser heeft in de bouw gewerkt in Vietnam bij projecten van de Vietnamese overheid. Bij dit werk werden de veiligheidsvoorschriften niet in acht genomen waardoor er veel dodelijke ongelukken plaatsvonden. Daarnaast vond er veel corruptie plaats en werd er land onrechtmatig onteigend. Het geld dat was bedoeld om de veiligheid te verbeteren werd door de autoriteiten in eigen zak gestoken. De materialen die werden gebruikt bij de bouwwerkzaamheden voor de waterhuishouding voor de inwoners van Vietnam bevatte schadelijke materialen. Eiser is zelf getuige geweest van een dodelijk ongeluk op zijn werk, waarnaar hij is bedreigd. Eiser is naar zijn leidinggevende genaamd [naam 2] gegaan om te praten over de onveilige werkomgeving en het ongeluk maar zijn leidinggevende vertelde hem dat hij moest zwijgen. Eiser is toen slachtoffer geworden van een verkeersongeluk waarbij hij werd klemgereden en hem werd verteld dat dit een waarschuwing was. Eiser is hierna in gesprek gegaan met de directeur [naam 3] over het ongeluk en de bedreigingen. Na dit gesprek is hij opnieuw aangereden en bedreigd. Er werd hem gezegd dat hij de volgende keer dood zou gaan als hij nogmaals zou praten. De politie was hier ook bij aanwezig. Eiser heeft verklaard meerdere malen te zijn bedreigd door de politie. Een collega van eiser die ook getuige is geweest van het dodelijke ongeval is vermoord. Eiser is gevlucht en vreest nog steeds de bedreiging vanuit de Vietnamese autoriteiten vanwege het ongeluk.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen naar aanleiding van het aankaarten van problemen in de bouw.
Verweerder heeft allebei de asielmotieven geloofwaardig geacht. Echter, uit de verklaringen van eiser komt niet naar voren dat hij te vrezen heeft voor de Vietnamese autoriteiten. De asielmotieven zijn niet te herleiden tot één van de gronden uit het Vluchtelingenverdrag, en ook uit de overige verklaringen blijkt verder niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft. Eiser heeft meermaals verklaard dat hij getuige geweest is van misstanden, maar is daar niet anders dan als getuige bij betrokken geweest. Eiser heeft de misstanden aangekaart bij zijn leidinggevenden en is bedreigd, maar naar aanleiding van de verklaringen van eiser blijkt niet dat eiser van het geheel van de Vietnamese autoriteiten heeft te vrezen. Overwogen wordt dat eiser de bescherming kan inroepen van de (hogere) Vietnamese autoriteiten. Dat heeft eiser niet gedaan waarmee niet is gebleken dat de Vietnamese autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen. Dat eiser bij terugkomst, nu 19 jaar nadat eiser is vertrokken, alsnog problemen zal ondervinden vanwege het aankaarten van corruptie is niet aannemelijk. Daarbij wordt overwogen dat corruptie nog wel veelvoudig plaatsvindt in Vietnam maar dat ook uit recente landeninformatie volgt dat er harder tegen corruptie wordt opgetreden. Daarom heeft eiser bij terugkeer van de Vietnamese autoriteiten niet te vrezen. Eiser krijgt geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Eiser krijgt ook geen verblijfsvergunning op reguliere gronden. Eiser heeft niet meteen asiel aangevraagd toen dat mogelijk was. Daarom is de asielaanvraag van eiser kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw. Eiser krijgt wel uitstel op grond van artikel 64 van de Vw voor een periode van zes maanden terwijl hij wacht op het BMA-onderzoek.
Mocht verweerder zich baseren op het medisch advies?
6. Eiser voert aan dat verweerder zich niet mocht baseren op het uitgebrachte advies van medTadvies van 4 februari 2025. In dit medisch advies staat dat eiser kan worden gehoord zonder beperkingen, terwijl de Afdeling had geoordeeld in de uitspraak van 8 april 2024 dat er reden was om te twijfelen of eiser in staat was zijn asielrelaas naar voren te brengen. De Afdeling heeft in deze uitspraak verweerder de opdracht gegeven om opnieuw te beslissen op basis van een nieuw medisch advies met inachtneming van het iMMO-rapport van 14 september 2022. Op 5 augustus 2024 heeft MediFirst vervolgens een medisch advies uitgebracht waarin staat dat eiser niet kan worden gehoord. Eiser voert aan dat het besluit niet voldoet aan de opdracht van de Afdeling, omdat verweerder is uitgegaan van het medisch onderzoek van medTadvies van 4 februari 2025. Eiser verwijst naar een tweetal uitspraken waaruit volgt dat dit advies niet als deskundigenbericht kan worden aangemerkt omdat het grondslag mist en het niet voldoende inzichtelijk maakt waarom eiser nu wel in staat werd geacht om probleemloos coherent, consistent en gedetailleerd te verklaren. Eiser heeft aangegeven dat er nog meer is waar hij niet over kan verklaren vanwege zijn trauma’s. Hij stelt primair dat hij om die reden het voordeel van de twijfel moet krijgen. Subsidiair stelt hij dat hij opnieuw moet worden gehoord.
Verweerder stelt dat uit deze uitspraken niet volgt dat het advies van medTadvies niet als deskundigenbericht kan worden beschouwd. Het iMMO-rapport is in acht genomen bij het bestreden besluit. Uit het iMMO-rapport blijkt dat eiser moeite heeft met het volledig verklaren over het bedrijfsongeval. Hiermee is bij de beoordeling van dit asielmotief rekening gehouden, hetgeen heeft geleidt tot het geloofwaardig achten van deze verklaringen. Uit dit rapport volgt niet dat eiser in zijn geheel niet kan verklaren over zijn asielrelaas. Er mag van eiser worden verwacht dat hij zijn asielmotieven kenbaar maakt. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bij het medisch advies van 4 februari 2025 rekening is gehouden met de voorgeschiedenis van eiser, het iMMO-rapport en eerdere medische adviezen . Het advies is hiermee voldoende inzichtelijk en concludent.
De rechtbank stelt vast dat uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer verweerder een medisch advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, hij zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan moet vergewissen dat dit advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig, en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Het gevraagde medische advies moet daarnaast actueel zijn. Wanneer dit het geval is, kan het advies worden aangemerkt als een deskundigenadvies waar verweerder in beginsel van uit mag gaan. Een vreemdeling kan de uitkomst van dat advies in dat geval slechts betwisten door overlegging van een andersluidend deskundigenadvies.
De rechtbank concludeert dat het medisch advies van 4 februari 2025 van medTadvies geen enkele onderbouwing geeft van de conclusie dat er geen sprake is van medische problematiek die van invloed kan zijn op de verklaringen van eiser. Het is een kruisjesformulier waarop staat aangekruist dat eiser zonder beperkingen kan worden gehoord en geen kruisjes staan bij de vakjes “medicijngebruik” en “doorverwijzing GJA/JCS”. Verder staat op het formulier dat er een gesprek is geweest en een handtekening van een ‘adviserend arts’. Bij de vragen “Zijn er beperkingen op grond van medische problematiek die van invloed kunnen zijn op het nader gehoor?” en “Overige opmerkingen/problematiek?” staat niets ingevuld. Dit steekt te meer nu er een iMMO-rapport uit 2022 en medisch advies van 5 augustus 2024 in het dossier aanwezig zijn waarin werd geconcludeerd dat er medische beperkingen zijn die zeer waarschijnlijk interfereerden met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren en eerder concludeerde dat eiser niet kon worden gehoord. De rechtbank hecht verder waarde aan het door eiser overgelegde MedtAdvies Protocol medisch advies ‘Horen & Beslissen” (het protocol) van 3 oktober 2025. Daarin staat dat, wanneer in het verleden een advies tot herbeoordeling door een arts is gegeven, moet bij een nu gegeven wel horen advies duidelijk worden beschreven wat het herstelproces is geweest dat deze verandering verklaart. Hieraan is niet voldaan. Daarom is dit geen deskundigenadvies als bedoeld in artikel 3:2 Awb.
Tot het dossier behoort een brief van 14 maart 2025 van een stafarts van medTadvies. Daarin staat:
“Op het spreekuur zag onze arts een man van Vietnamese afkomst, die sinds 2006 in Nederland verblijft. Inmiddels woont hij hier samen met zijn partner (van Vietnamese afkomst, hier genaturaliseerd). Tijdens dit onderzoek werd de betrokkene mentaal en fysiek in orde ingeschat, en zijn alle vragen helder en adequaat beantwoord. Met name was er geen sprake van psychische klachten, en zijn stemmingsklachten niet geobserveerd. Bij spreken over het 1and van herkomst werd hij emotioneel. Op dit moment is niet verder ingegaan op de achter1iggende reden van deze asielaanvraag, gezien dit geen onderdeel is van het medisch onderzoek. De betrokkene heeft aangegeven te begrijpen dat tijdens het IND gehoor dergelijke onderwerpen wel besproken gaan worden, waar hij geen problemen in voorziet. Betrokkene herpakte zich snel, waarna zonder problemen het onderzoek kon
worden voortgezet. Om deze redenen werd het advies wel horen zonder beperkingen afgegeven.”
Opnieuw is niet kenbaar gemaakt hoe de (medische) voorgeschiedenis van eiser is betrokken in dit medisch advies of wat het herstelproces is geweest. Het medTadvies is derhalve niet inzichtelijk gemaakt. De enkele stelling van verweerder ter zitting dat medTadvies de medische stukken wel heeft betrokken en medTadvies zich aan het protocol heeft gehouden, is onvoldoende om daarvan uit te gaan.
Het voorgaande betekent dat verweerder niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 3:2 van de Awb op hem rustende vergewisplicht. Verweerder heeft een onvolledig en niet inzichtelijk medisch advies van medTadvies ten grondslag gelegd aan zijn gehoor en besluitvorming. De rechtbank constateert in deze werkwijze een zorgvuldigheids-en motiveringsgebrek.
De rechtbank zal het bestreden besluit echter niet vernietigen maar het gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Het horen heeft namelijk wel zorgvuldig plaatsgevonden. Eiser is meerdere keren in de gelegenheid gesteld om over zijn asielmotieven te verklaren, is gehoord in het bijzijn van zijn gemachtigde en heeft gedeeltelijk schriftelijk kunnen verklaren. Er zijn veel pauzes ingelast, de gemachtigde heeft meerdere kunnen gelegenheid gehad om eiser te helpen bij het afleggen van zijn verklaringen en er lijkt geen druk te zijn uitgeoefend. Eiser heeft ook feitelijk veel kunnen verklaren over zijn ervaringen in Vietnam. Daarnaast is wat eiser naar voren heeft gebracht in zijn verklaringen ook geloofwaardig geacht. Voor zover eiser aanvoert dat hij nog niet over alles heeft kunnen verklaren en nogmaals zou moeten worden gehoord volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat het aan de vreemdeling is om zijn asielmotieven kenbaar te maken en eiser meerdere malen in de gelegenheid is gesteld om dit te doen. Ook heeft eiser gelegenheid gehad eventuele nadere asielmotieven via zijn advocaat naar voren te brengen. Dat heeft hij niet gedaan, ook niet in beroep. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de verklaringen afdoende zijn. Anders dan eiser heeft gesteld, behoeft eiser niet het voordeel van de twijfel te worden gegeven. Dat eiser vanwege trauma niet alles heeft kunnen verklaren, is onvoldoende onderbouwd. Nogmaals horen is dan ook niet nodig.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning?
7. Eiser voert aan dat hij te vrezen heeft voor de autoriteiten van Vietnam. Eiser voert primair aan dat het aannemelijk is dat hij is vervolgd door de staat. Eiser heeft meermaals verklaard dat hij is bedreigd door politiemensen en dat zij hem verboden om te spreken over wat er was gebeurd op werk. Ook heeft hij verklaard dat de staat de opdrachtgever van de projecten was. Eiser verwijst in dat kader ook naar de UNHCR Guidelines waarin de politie als onderdeel van de autoriteiten wordt genoemd. De staat wordt in artikel 6 van de Definitierichtlijn genoemd als een actor van vervolging of ernstige schade. Eiser voert secundair aan dat de staat geen bescherming kan bieden nu eiser is bedreigd door de politie om zijn mond te houden en uit de landeninformatie blijkt dat het gevaarlijk is om kritiek te uiten op de staat. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat de staat in het geval van eiser bescherming kan bieden. Daarbij moet verweerder motiveren dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 7, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder moet onderbouwen dat sprake is van doeltreffende bescherming die niet tijdelijk van aard is en er redelijke maatregelen zijn getroffen voor het voorkomen van vervolging. Eiser verwijst in dat kader naar een uitspraak van de Afdeling waaruit volgt dat verweerder dient te onderzoeken of dat de Vietnamese autoriteiten in het algemeen bescherming kunnen bieden, waarna het aan eiser is om het aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk is. Dit heeft eiser aannemelijk gemaakt. Eiser is namelijk eerder vervolgd door de staat en dit moet op grond van artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn worden aangemerkt een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is, aldus eiser.
Verweerder stelt dat het geloofwaardig is geacht dat eiser zich heeft beklaagd bij zijn leidinggevenden en hij hierdoor problemen heeft ondervonden. Verweerder acht het echter niet geloofwaardig dat eiser in 2006 is vervolgd door de autoriteiten of dat eiser vervolging hoeft te vrezen bij terugkeer. Eisers leidinggevenden zijn geen vertegenwoordigers van de autoriteiten en het handelen van individuele agenten kan ook niet aangemerkt worden als vervolging door de staat. Een enkele agent die toevallig aanwezig is geweest bij de aanrijding is daarvoor niet genoeg. Eiser heeft het daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat hij niet de bescherming van de Vietnamese autoriteiten had kunnen inroepen of in de toekomst kan inroepen. Over de landeninformatie die eiser aanhaalt stelt verweerder dat eiser niet onder de genoemde groepen in deze artikelen valt. Eiser is geen journalist, mensenrechtenactivist of klokkenluider en heeft de aangekaarte problemen niet naar buiten toe bekend gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat het besluit een motiveringsgebrek bevat. Eiser heeft meerdere malen verklaard dat de politie betrokken is geweest bij de bedreigingen. De politie is dus niet, zoals verweerder stelt, enkel betrokken geweest bij één van de aanrijdingen en het stilhouden van dit incident. De rechtbank zal het bestreden besluit echter niet vernietigen maar het gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank volgt de stelling van verweerder in zoverre dat de betrokkenheid van enkele politieagenten niet voldoende is om te kunnen concluderen dat eiser slachtoffer is geworden van vervolging door de staat. Ook in wat eiser heeft aangevoerd over de betrokkenheid van de staat bij de bouwprojecten waaraan eiser heeft gewerkt, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om aan te kunnen nemen dat sprake is van vervolging door de staat. Degenen door wie eiser is bedreigd zijn enkel via een onderaannemer betrokken geweest bij de bouwprojecten. De Vietnamese autoriteiten zijn niet direct betrokken geweest maar enkel als opdrachtgever.
Betrokkenheid van de politie kan echter wel betekenen dat de autoriteiten van Vietnam geen bescherming bieden tegen bedreigingen vanuit de politie. De rechtbank constateert dan ook nog een motiveringsgebrek. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat eiser toentertijd de bescherming van de staat had kunnen inroepen tegen de bedreiging. Uit de door eiser genoemde uitspraak van de Afdeling met ECLI:NL:RVS:2014:3873 volgt namelijk dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen eerst door verweerder moet worden onderzocht of door de autoriteiten in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij dient hij de informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, te betrekken. Indien verweerder die vraag bevestigend heeft beantwoord, is het vervolgens aan de vreemdeling aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien hij dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden. Verweerder heeft in deze zaak niet aan zijn bewijslast voldaan. Hij heeft niet voldoende onderbouwd dat eiser toentertijd de bescherming van de autoriteiten had kunnen inroepen. Verweerder brengt enkel recente landeninformatie in om te stellen dat eiser bij terugkeer de bescherming van de autoriteiten kan inroepen. Daarmee onderbouwt hij, gezien het lange tijdsverloop, niet waarom eiser in 2006 de bescherming van de autoriteiten kon inroepen.
De beroepsgrond slaagt in zoverre.
De rechtbank ziet echter wederom aanleiding om het gebrek te passeren op grond van artikel 6:22 Awb. Verweerder is namelijk op de goede gronden tot de conclusie gekomen dat niet kan worden gesteld dat eiser bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft. De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiser na een tijdsverloop van 19 jaar nog steeds problemen zal ondervinden vanuit de politie van het destijds bij zijn meerderen aankaarten van misstanden in de bouw. Ook heeft verweerder aan eiser mogen tegenwerpen dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer tot van de groepen behoort waarvoor volgens de landeninformatie van eiser en verweerder problemen met de Vietnamese autoriteiten kunnen ontstaan. Eiser is immers geen activist, journalist of mensenrechtenverdediger is. Ook heeft hij niet openbaar kritiek geuit via publicaties of sociale media.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de aanvraag van eiseres als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen?
8. Eiser voert aan dat het kennelijk ongegrond verklaren van de asielaanvraag in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel nu deze afdoeningsmogelijkheid nog niet bestond toen eiser Nederland is binnen gereisd. Verweerder had de aanscherping van de wetgeving niet aan eiser kunnen tegenwerpen. Daarnaast kan eiser niet geacht worden eerder asiel aan te hebben moeten vragen, nu hij aan ernstige psychische problemen lijdt en angst heeft voor de autoriteiten.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het standpunt kan innemen dat eiser niet zo spoedig mogelijk asiel heeft aangevraagd. Dat eiser angst heeft voor de autoriteiten en daarom gedurende zijn eerste 15 jaar in Nederland geen asiel heeft aangevraagd, hoeft verweerder niet als een verschoonbare reden te zien voor het laat indienen van de aanvraag. Het tijdsverloop van 15 jaar is daarvoor simpelweg te groot. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de reden voor ongegrond verklaring op het moment van eisers binnenkomst nog niet bestond ook geen aanleiding is om die niet toe te passen op het moment dat eiser asiel heeft aangevraagd.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en zijn partner?
9. Eiser voert aan dat verweerder een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM aan eiser had moeten verlenen. Er is sprake van gezinsleven tussen eiser en zijn partner [naam 4] sinds 2012 en eiser heeft verschillende documenten overgelegd om dit te staven, zoals foto’s, een brief, en een email van de partner van eiser. Ook is eisers vriendin met eiser meegegaan naar het gehoor op 7 juli 2025. Verweerder laat de belangenafweging ten onrechte uitvallen in het nadeel van eiser en zijn partner, waarbij de lange verblijfsduur van eiser in Nederland niet is betrokken en tevens niet de objectieve belemmeringen om gezinsleven in Vietnam uit te oefenen. Hierbij moeten ook eisers psychische gesteldheid en angst om terug te keren naar Vietnam worden betrokken. Op zitting heeft eiser aangevoerd dat er in het kader van privéleven psychische belemmeringen bestaan om terug te keren naar Vietnam, hetgeen verweerder in de belangenafweging van privéleven mee had moeten nemen.
Verweerder stelt dat eiser niet voldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van gezinsleven met [naam 4] . Verweerder stelt dat er wel sprake is van privéleven in de zin van artikel 8 EVRM. Echter, eiser heeft zijn privéleven opgebouwd terwijl hij geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Eisers privéleven wordt hierom niet beschermd op grond van artikel 8 EVRM. Verweerder toetst of uitzetting in strijd is met artikel 8 EVRM middels een belangenafweging, hetgeen in eisers nadeel uitvalt. Eisers banden met Nederland zijn beperkt, hij spreekt geen Nederlands en werkt niet. Eiser heeft een sterkere band met Vietnam. Eiser krijgt geen reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn partner. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit het besluit niet volgt waarom er ondanks de foto’s, de brief en de email geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek verricht naar de relatie van eiser en zijn partner, des te meer nu het bestaan van deze relatie wel geloofwaardig wordt geacht. Er zijn bijvoorbeeld tijdens of na het gehoor geen vragen gesteld over de relatie en verweerder is niet ingegaan op wat de partner van eiser schriftelijk over de relatie heeft verklaard. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de feitelijke situatie onvoldoende uitgevraagd.
De beroepsgrond slaagt. Verweerder dient opnieuw te toetsen of uitzetting in strijd is met artikel 8 EVRM. Hij dient daarbij alle relevante aspecten mee te nemen.
Conclusie en gevolgen
10. Gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 9.2, is de afwijzing van de verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 EVRM ondeugdelijk gemotiveerd en in strijd is met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen voor zover het ziet op de verblijfsvergunning regulier. Voor het overige is het beroep ongegrond.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder, voor zover dat ziet op de verblijfsvergunning regulier, een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken. De termijn kan worden verlengd tot 12 weken als opnieuw moet worden gehoord.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 oktober 2025 voor zover het betrekking heeft op een verblijfsrecht op grond van artikel 8 van het EVRM;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit voor zover die zien op de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijven;
- draagt verweerder voor zover het bestreden besluit ziet op de reguliere verblijfsvergunning op om binnen zes of twaalf weken, afhankelijk van de noodzaak opnieuw te horen, na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Doorman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.