RECHTBANK DEN HAAG
Kantonrechter, zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer / rekestnummer: 11719235 / RP VERZ 25-50412
CB/c
Beschikking van 9 september 2025
in de zaak van:
de stichting [partij A],
gevestigd te Den Haag,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr.drs. A.H. den Draak (ARAG) en mr. G.L. van Hout (HVG Law),
tegen
[partij B] ,
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: werknemer,
gemachtigde: mr. A.C.E.G. Cordesius (Haagrecht Advocaten).
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie op 26 mei 2025 met zeven producties (nrs. 1 tot en met 7);
- het verweerschrift, binnengekomen bij de griffie op 13 augustus 2025 met twaalf producties (nrs. 1 tot en met 12).
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025. Daarbij is namens [partij A] de heer [naam] verschenen alsmede de gemachtigden van [partij A] . Werknemer is in persoon verschenen samen met zijn gemachtigde. Van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.
Na de mondelinge behandeling is de beschikking bepaald op vandaag.
2. De feiten
Werknemer, geboren [geboortedatum] 2003, is sinds 31 december 2023 in dienst bij [partij A] op een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, van 31 december 2023 tot en met 30 december 2025. De functie van werknemer is steward.
[partij A] stelt citycoaches of stewards ter beschikking in horecaconcentratiegebieden, winkelgebieden, tijdens evenementen en bij seizoensgebonden inzet in het kader van het vergroten van de sociale veiligheid.
Voor de registratie van incidenten, planning, urenstaten en rapportages heeft [partij A] een app ontwikkeld, die functioneert via de mobiele telefoon van de werknemers van [partij A] . Voor incidenten en voor het in- en uitklokken gebruikt de app de GPS-positie van de mobiele telefoon.
Werknemer wordt er door [partij A] van verdacht ‘GPS Spoofing’ te hebben toegepast. Dat houdt in dat hij de app zodanig heeft beïnvloed dat zijn werkelijke positie niet overeenkomt met de GPS-positie, die zijn telefoon aan [partij A] doormeldt.
3. Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek
[partij A] verzoekt de (-) arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW; (-) bij het bepalen van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn en de arbeidsovereenkomst dadelijk te ontbinden; (-) voor recht te verklaren dat de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en derhalve geen recht heeft op een transitievergoeding; (-) met veroordeling van [partij A] in de kosten van de procedure.
Aan haar verzoek heeft [partij A] ten grondslag gelegd dat hij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door op zijn mobiele telefoon GPS-Spoofing toe te passen, waardoor hij heeft gefraudeerd door op de betreffende tijden niet aanwezig te zijn op de GPS-posities, die zijn mobiele telefoon aan [partij A] heeft doorgemeld..
Werknemer verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Werknemer voert aan – samengevat – dat het onderzoek van [partij A] naar de vermeende GPS-Spoofing ondeugdelijk is, zodat deze geen grond kan zijn voor verwijtbaar handelen en ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Werknemer heeft een aantal tegenverzoeken gedaan. Werknemer verzoekt (2.) PRIMAIR [partij A] te veroordelen om aan hem te betalen: (a.) het achterstallig loon, vakantiegeld en toeslagen van in totaal het netto-equivalent van € 3.229,30 bruto en (b.) de wettelijke verhoging over a te weten het correcte netto-equivalent van€ 1.649,65 bruto en (c.) de wettelijke rente over a vanaf de eerste dag van de maand waarover niet of niet correct is betaald tot en met de dag der algehele voldoening en (d.) de wettelijke rente over b indien b op de 15e dag na het [de] in deze zaak te wijzen vonnis [beschikking] niet (volledig) is betaald en (e.) de schade die werknemer leed en lijdt door de ten onrechte op non-actiefstelling te weten het netto-equivalent van € 7.083,10 bruto tot en met 31 augustus 2025 en (f.) de immateriële schade die werknemer leed door de mishandeling vanwege de sommatiebrief het bedrag van € 3.500 en (g.) de wettelijke rente over e vanaf 8 augustus 2025 tot en met de dag der algehele voldoening, pro memorie en (h.) het correcte loon op basis van de inlenersbeloning (volgens CAO Gemeenten) vanaf augustus 2025 totdat aan de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig een einde is gekomen, met hantering van de correcte toeslagpercentages over de uren tussen 22:00 en 06:00 uur en tevens op zon- en/of feestdagen en waar sprake is van werken op zon- en/of feestdagen in de uren tussen 22:00 en 06:00 uur de combinatie van die twee toeslagen en (i.) de eigen bijdrage die werknemer heeft moeten betalen aan zijn advocaat [gemachtigde] ad € 179 netto en (j.) de proceskosten te betalen waaronder salaris gemachtigde en voort [partij A] te veroordelen om: (3.) binnen 14 dagen na het [de] te dezer zake te wijzen [geven] vonnis [beschikking] en in lijn met het vonnis [de beschikking] gecorrigeerde loonstroken van december 2023 tot en met augustus 2025 en gecorrigeerde jaaropgaven 2023 en 2024 aan werknemer te sturen per e-mail aan saahouch@gmail.com; (4.) werknemer binnen 14 dagen na het [de] te dezer zake te wijzen [geven] vonnis [beschikking] om zijn beschikbaarheid te vragen en hem vanaf dat moment met inachtneming van die beschikbaarheid van werknemer weer in te roosteren vanaf de 15e dag na het [de] te dezer zaken te wijzen [geven] vonnis [beschikking], SUBSIDIAIR (1.) Indien het verzoek tot ontbinding wordt toegewezen, daaraan de wettelijke opzegtermijn van 1 maand te verbinden aldus dat het einde van het dienstverband intreedt met ingang van 1 november 2025 en (2.) aan werknemer de transitievergoeding toe te kennen ter hoogte van het correcte netto equivalent van € 1.960 bruto en (3.) [partij A] te veroordelen tot doorbetaling aan werknemer van loon tot einde dienstverband en (4.) [partij A] te veroordelen tot betaling van het pro rata vakantiegeld alsmede tot uitbetaling van niet genoten vakantiedagen bij einde dienstverband.
[partij A] voert verweer tegen de tegenverzoeken van werknemer. Voor zover relevant zullen de stellingen en verweren van partijen hierna besproken worden.
4. De beoordeling van het inleidende verzoek
Het gaat in deze zaak in eerste instantie om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Als dat zo is verzoekt werknemer (na)betaling van achterstallig loon volgens de geldende CAO en immateriële schadevergoeding. Indien het verzoek wordt afgewezen verzoekt werknemer wedertewerkstelling.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.
De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Weliswaar heeft [partij A] aan de hand van een rapport van degene die de app heeft gemaakt tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan ‘GPS-Spoofing’. Uit dat rapport kan afgeleid worden dat de GPS-posities die de telefoon van werknemer geregistreerd en doorgemeld heeft niet overeenkwamen met de werkelijke positie(s) van werknemer bij bepaalde evenementen. Maar daaraan valt het een en ander af te dingen. Zo is wel gebleken dat werknemer op de betreffende werktijden in de buurt van de plaats waar hij zijn werkzaamheden moest verrichten aankopen heeft gedaan in een supermarkt. Een en ander vond niet in de woonplaats van werknemer plaats, waardoor in ieder geval niet onomstotelijk is gebleken dat werknemer zich op de betreffende tijden ver van de plaats waar hij moest werken bevond. Overigens is de (mogelijke) afwezigheid van werknemer niet geconstateerd door een leidinggevende die uit eigen waarneming heeft verklaard dat werknemer afwezig was.
Daar komt nog bij dat de GPS-Spoofing zou hebben plaatsgevonden in januari 2025 en [partij A] pas in mei 2025 een ontbindingsverzoek heeft gedaan, toevalligerwijze nadat de gemachtigde van werknemer zich bij [partij A] had gemeld in verband met het feit dat werknemer niet meer voor werkzaamheden werd opgeroepen.
Omdat niet onomstotelijk is gebleken dat werknemer op de betreffende werktijden afwezig was, [partij A] tekort is geschoten in de feitelijke controle op de aanwezigheid van werknemer en omdat [partij A] geen goede verklaring heeft gegeven, waarom zij zo lang na de constatering dat werknemer afwezig zou zijn heeft gewacht met het indienen van het ontbindingsverzoek, is de kantonrechter van oordeel dat er geen redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst is. Het verzoek van [partij A] daartoe zal daarom worden afgewezen.
Op de proceskostenveroordeling in verband met het inleidende verzoek komt de kantonrechter hieronder terug.
5. De beoordeling van de tegenverzoeken
Omdat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen zal de kantonrechter nu de (primaire) tegenverzoeken van werknemer bespreken.
De consequentie van het afwijzing van het verzoek van [partij A] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is dat de arbeidsovereenkomst vooralsnog in stand blijft. Weliswaar betreft het een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, maar het ligt voor de hand dat de arbeidsovereenkomst na de einddatum van 30 december 2025 niet zal worden voortgezet.
Dat de arbeidsovereenkomst in stand blijft betekent ook dat werknemer recht heeft op werk. Het recht op werk is immers een van de kenmerken van de arbeidsovereenkomst, tegenover de plicht om werkzaamheden te verrichten. Het verzoek tot wedertewerkstelling zal daarom worden toegewezen.
De arbeidsovereenkomst, waarop werknemer bij [partij A] is aangenomen, betrof een arbeidsovereenkomst voor minimaal 8 uur en maximaal 40 uur per week. Onbetwist heeft werknemer gesteld dat hij in het eerste jaar van de arbeidsovereenkomst gemiddeld 22,88 uur per week heeft gewerkt. Na sommatie door de gemachtigde van werknemer heeft [partij A] in feite erkend dat vanaf 1 januari 2025 een arbeidsovereenkomst voor 22,88 uur per week is ontstaan, doordat [partij A] een nabetaling op basis van dat aantal werkuren heeft gedaan. Daarbij dient vermeld dat onweersproken is dat [partij A] een nabetaling heeft gedaan op de voet van de Gemeente-CAO.
Wat [partij A] niet gedaan heeft is een nabetaling voor de toeslagen, omdat werknemer overwegend zijn werkzaamheden verrichtte op uren waarvoor een (onregelmatigheids)toeslag van toepassing is. Werknemer verzoekt ook uitbetaling van de misgelopen toeslagen.
Dat verzoek zal de kantonrechter afwijzen. Dat werknemer vanaf 1 januari 2025 een arbeidsovereenkomst met een arbeidsomvang van 22,88 uur per week heeft, betekent niet dat hij ook recht heeft op de toeslagen, die hij ontving over de uren die tot dat gemiddeld aantal uren hebben geleid. Werknemer heeft wel een recht op een arbeidsovereenkomst met een omvang van (gemiddeld) 22,88 uur, maar dat houdt niet in dat hij ook recht heeft op het gemiddelde loon over 22,88 uur, dat hij ontving. Er bestaat immers geen ondubbelzinnig recht op overwerk. Een werkgever, en zo ook [partij A] , kan ervoor kiezen een werknemer in te zetten op uren, waarvoor geen toeslag geldt. Het is dus ook niet zo, zoals werknemer stelt, dat de toeslagen een vast loonbestanddeel zijn geworden. In zoverre zal het verzoek van werknemer worden afgewezen.
In het licht van de loonvordering van werknemer gelden de volgende uitgangspunten:
- vanaf 1 januari 2024 was het minimum-uurloon op basis van de Gemeente-CAO € 14,00;
- op dit minimum-uurloon dienen de toeslagpercentages te worden toegepast voor de onregelmatige uren, die werknemer vanaf 1 januari 2024 daadwerkelijk heeft gewerkt;
- voor de uren in 2025, waarvoor werknemer in 2025 niet door [partij A] is opgeroepen, heeft werknemer recht op betaling van het minimum-uurloon van€ 14,00 voor 22,88 uur per week.
De kantonrechter heeft onvoldoende gegevens om aan de hand van het bovenstaande zelf een berekening te maken van het bedrag van de nabetaling; dat zullen partijen zelf moeten doen. Wel stelt de kantonrechter vast dat er sprake is van een te late betaling van loon, hetgeen ertoe leidt dat [partij A] de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW verschuldigd is. De kantonrechter zal het percentage van de wettelijke verhoging overigens matigen tot 20%, omdat ook voor [partij A] een onduidelijke situatie is ontstaan, doordat werknemer pas na geruime tijd, nadat hij niet meer werd opgeroepen, via zijn gemachtigde bij [partij A] aan de bel heeft getrokken.
De wettelijke rente over de nabetaling zal worden toegewezen als verzocht.
Uit het voorgaande vloeit ook voort dat [partij A] zal worden veroordeeld om gecorrigeerde loonstroken en gecorrigeerde jaaropgaven aan werknemer te verstrekken.
Naast nabetaling van loon verzoekt werknemer ook betaling van een bedrag van€ 3.500,- aan immateriële schade vanwege een mishandeling. Ofschoon [partij A] niet betwist dat werknemer mishandeld is, zal zijn verzoek tot betaling van een immateriële schadevergoeding worden afgewezen, omdat het verzochte bedrag van€ 3.500,- op geen enkele wijze onderbouwd is.
Omdat [partij A] zowel in het inleidende verzoek als - grotendeels - in de tegenverzoeken in het ongelijk wordt gesteld zal [partij A] worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van werknemer, begroot op € 949,-. In dat bedrag is begrepen een vergoeding voor het salaris van de gemachtigde, zodat zijn verzoek tot betaling van de eigen bijdrage wordt afgewezen, ook al omdat er geen afzonderlijke grondslag voor dit verzoek is gegeven.
6. De beslissing
De kantonrechter:
in het inleidende verzoek
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
in de tegenverzoeken
veroordeelt [partij A] om aan werknemer te betalen het achterstallig loon, vakantiegeld en toeslagen te berekenen volgens de uitgangspunten in rechtsoverweging 5.7, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, waarvan de kantonrechter het percentage matigt tot 20% en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de bedragen zijn verschuldigd tot de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [partij A] om binnen 14 dagen na deze beschikking en in lijn met de beschikking gecorrigeerde loonstroken van december 2023 tot en met augustus 2025 en gecorrigeerde jaaropgaven 2023 en 2024 aan werknemer te sturen per e-mail aan saahouch@gmail.com;
veroordeelt [partij A] om werknemer binnen 14 dagen na deze beschikking om zijn beschikbaarheid te vragen en hem vanaf dat moment met inachtneming van die beschikbaarheid van werknemer weer in te roosteren vanaf de 15e dag na deze beschikking;
wijst het meer of anders verzochte af,
in alle verzoeken
veroordeelt [partij A] in de proceskosten aan de zijde van werknemer, begroot op een bedrag van € 949,-, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening van deze beschikking indien niet tijdig aan één van de veroordelingen wordt voldaan en de beschikking daarna wordt betekend;
verklaart hetgeen is beslist in rechtsoverwegingen 6.2, 6.3, 6.4 en 6.6. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.W.D. Bom en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2025 in aanwezigheid van de griffier.