RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40944
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).
Procesverloop
Bij besluit van 26 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ophouding
1. Eiser voert aan dat hij op een onjuiste wettelijke grondslag (artikel 50, derde lid van de Vw) is opgehouden. Verweerder beschikt niet over identificerende documenten van eiser. De ophouding had volgens eiser daarom gebaseerd moeten zijn op artikel 50, tweede lid, van de Vw.
Eiser is op 26 augustus 2025 op grond van de Dublinverordening door Zwitserland overgedragen aan Nederland. Uit het ‘proces-verbaal staandehouding/overbrenging/ophouding’ (M105) blijkt dat de verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee bij aankomst van het vliegtuig met daarin eiser op Schiphol van een bemanningslid een envelop hebben ontvangen met daarin een door de Zwitserse autoriteiten voor eiser afgegeven Dublin laissez-passer. Aan de hand hiervan hebben de verbalisanten, die eiser eerst hebben staandegehouden, de identiteit van eiser onmiddellijk kunnen vaststellen. Gelet hierop ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de ophouding ten onrechte heeft plaatsgevonden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw). Verweerder heeft, met toepassing van artikel 5.1b, derde en vierde lid, in verbinding met artikel 5.1c, eerste en tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Verweerder heeft ter zitting de zware gronden 3f en 3i en de lichte grond 4b laten vallen.
Eiser heeft alle overgebleven zware en lichte gronden betwist.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829, volgt dat verweerder bij (onder andere) de zware gronden 3b en 3c kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat en waarom deze zware gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Eiser is namelijk, zo volgt uit de overgelegde uitdraai uit het BVV-systeem en het asielbesluit van 6 augustus 2025, op 15 juni 2023 en 22 juli 2025 met onbekende bestemming vertrokken en heeft zich daarmee aan het toezicht onttrokken. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3c zich feitelijk voordoet. Eiser heeft namelijk op 12 september 2023 een terugkeerbesluit ontvangen en heeft niet uit eigen beweging gevolg gegeven aan de daaruit voortvloeiende vertrekplicht. Daarbij overweegt de rechtbank dat het enkel verlaten van Nederland hiertoe onvoldoende is, nu de vertrekplicht inhoudt dat eiser het grondgebied van de lidstaten (met uitzondering van Ierland) aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein dient te verlaten.
Verweerder heeft dus in ieder geval de zware gronden 3b en 3c aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen. Deze twee zware gronden zijn tezamen reeds voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarmee is ook gegeven dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag, zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011). De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
3. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een verblijf in een asielzoekerscentrum met een meldplicht.
Gelet op de onder 2.4. genoemde zware gronden en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, en meer specifiek op de omstandigheden dat eiser
niet heeft voldaan aan zijn (uit het besluit van 12 september 2023 voortvloeiende) verplichting om Nederland te verlaten en twee keer met onbekende bestemming is vertrokken, waarvan in ieder geval de laatste keer tijdens een lopende asielprocedure, uit welke gronden en omstandigheden tezamen een fors risico op onttrekking aan het toezicht voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De enkele stelling van eiser dat hij bereid is om zich aan een meldplicht te houden is in het licht van voormelde omstandigheden onvoldoende om te oordelen dat verweerder toch een lichter middel had moeten toepassen. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraken van 26 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:271, en 12 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3139, volgt dat voor een bewaring krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw zicht op uitzetting geen voorwaarde is. Daaruit volgt dat verweerder bij een bewaring krachtens deze bepaling niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten. Wel geldt dat verweerder, binnen de maximale termijn van artikel 59b, tweede lid, van de Vw, voldoende voortvarend moet werken aan de asielprocedure (zie de Afdelingsuitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1156). Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond om te oordelen dat verweerder dit niet doet. Verweerder heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de asielprocedure loopt en dat eiser binnenkort zal worden gehoord en eiser heeft verder geen concrete aanwijzingen aangedragen waaruit op voorhand kan worden afgeleid dat de maximale termijn vermeld in artikel 59b, tweede lid, van de Vw niet zal worden gehaald. De beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom beroepsgronden
5. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Yildiz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.