Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/224470-25
Datum uitspraak: 11 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 27 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. van Diemen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.S. de Gram naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdachte wordt er – kort gezegd – van verdacht dat hij op 17 augustus 2025 met een wokpan zijn echtgenote [slachtoffer] met kracht in het gezicht heeft geslagen of die pan met kracht in haar gezicht heeft gegooid. Dit is primair ten laste gelegd als poging tot doodslag, subsidiair als zware mishandeling, meer subsidiair als poging tot zware mishandeling en meest subsidiair als mishandeling.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I bij dit vonnis gevoegd.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en dat de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte primair op het standpunt gesteld dat de verdachte geheel moet worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van poging tot doodslag en van zware mishandeling.
Het oordeel van de rechtbank
Gebruikte bewijsmiddelen.
In bijlage II heeft de rechtbank de wettige bewijsmiddelen opgenomen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Er is geen sprake van vormfouten in het vooronderzoek
De aangevers in deze zaak zijn de dochter van de verdachte, [naam] , wier aangifte op 17 augustus 2025 kort na het incident is opgenomen, en de vrouw van de verdachte, [slachtoffer] , wier aangifte de volgende dag is opgenomen. De verdediging heeft betoogd dat de aangiftes niet audiovisueel zijn geregistreerd, terwijl dat wel verplicht was volgens de Instructie auditieve en audiovisuele registratie van verhoren van aangevers, slachtoffers, getuigen en verdachten van het Openbaar Ministerie (Instructie 2021|101). Dit levert volgens de verdediging een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek op dat er op grond van artikel 359a Wetboek van Strafvordering toe moet leiden dat de aangiftes van het bewijs worden uitgesloten.
De rechtbank hanteert het volgende beoordelingskader. Het recht op een eerlijk proces van artikel 6 EVRM brengt mee dat in het vooronderzoek bij het verkrijgen van getuigenverklaringen de waarheidsvinding en de controleerbaarheid van de verklaringen voorop staan. Het moet worden voorkomen dat getuigen niet in vrijheid verklaren of dat hun verklaringen verkeerd worden weergegeven in processen-verbaal. Audiovisuele registratie kan daarbij behulpzaam zijn. Als handreiking voor de opsporingspraktijk, somt de instructie van het OM gezichtspunten op die bij die inschatting kunnen helpen. Deze instructie biedt ruimte om registratie achterwege te laten, bijvoorbeeld omdat meteen na een delict een eerste verhoor moet plaatsvinden. De instructie heeft geen externe werking (verdachten kunnen daaraan geen rechten ontlenen) en ook uit de wet, de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie volgt niet dat aangiftes of verhoren van het bewijs moeten worden uitgesloten enkel omdat die niet audiovisueel geregistreerd zijn. Dat er op dit moment geen audiovisuele registraties beschikbaar zijn, heeft ook niet tot gevolg dat de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verkregen informatie en de inhoud van de daaromtrent opgemaakte processen-verbaal onmogelijk is. De rechtbank constateert dat de opsporingsambtenaren andere maatregelen hebben genomen om de betrouwbaarheid van de verklaringen te waarborgen: de aangeefsters zijn door verschillende verbalisanten opgenomen en beide aangeefsters zijn later aanvullend gehoord, waarbij ze nader zijn bevraagd over hun aangifte. Er zijn de rechtbank geen aanwijzingen gebleken dat de aangeefsters zich niet vrij voelden om te verklaren, dat hun verklaringen op elkaar zijn afgestemd, verkeerd zijn geverbaliseerd of om een andere reden onbetrouwbaar zijn. Beide aangeefsters hebben weliswaar in latere berichten geschreven dat ze spijt hebben van hun aangifte, maar in die berichten staat niet op welk punt hun eerste verklaring aan de politie feitelijk onjuist zou zijn. De verdediging heeft ook niet verzocht om de aangeefsters aanvullend te horen bij de rechter-commissaris om de betrouwbaarheid van de aangiftes te toetsen.
Er is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake van een vormverzuim in het vooronderzoek. De rechtbank zal de aangiftes niet van het bewijs uitsluiten.
De aangiftes zijn betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs
De rechtbank acht de aangiftes betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De aangiftes zijn kort na het incident opgenomen en op de essentiële punten duidelijk en consistent met de latere aanvullende verklaringen.
Feitenvaststelling
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in bijlage II en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten vast.
De verdachte was op 17 augustus 2025 met zijn vrouw [slachtoffer] en hun dochter [naam] in de keuken van hun woning. De verdachte had ruzie met [slachtoffer] en [naam] , was boos en heeft gezegd dat hij [naam] wilde slaan. Hij had een wokpan in zijn hand en heeft eerst een beweging gemaakt met de pan alsof hij wilde slaan, waarbij hij [naam] aankeek. Hierna is de verdachte op [naam] afgekomen en maakte hij een zwevende beweging met de pan. [slachtoffer] is tussen de verdachte en [naam] gesprongen, waarna zij boven haar linkeroog is geraakt door de pan.
Uit het dossier blijkt dat de wokpan 1.035,3 gram woog.
Doordat het slachtoffer is geraakt met de wokpan, heeft zij een snijwond op haar voorhoofd, oogkas en linkerwang waarvoor zij met spoed naar het ziekenhuis is vervoerd. Daar is de wond met negen hechtingen gedicht. Uit de verklaring van de forensisch arts in het dossier blijkt verder dat het slachtoffer schade aan haar aangezichtszenuw heeft opgelopen, waardoor haar linker wenkbrauw niet omhoog kon. Volgens de forensisch arts zal genezing minimaal een jaar duren en is er mogelijk blijvende schade te verwachten.
Vrijspraak poging tot doodslag
De rechtbank komt, net als de officier van justitie en de verdediging, tot het oordeel dat de primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend is bewezen. Het dossier bevat te weinig medische en forensische informatie om te kunnen oordelen dat de klap/gooi met de wokpan een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer meebracht. De rechtbank zal de verdachte dus vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Bewijsoverwegingen zware mishandeling
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling wettig en overtuigend is bewezen. De verdediging heeft aangevoerd dat het hiervoor beschreven letsel niet kwalificeert als zwaar lichamelijk letsel. De schade aan de aangezichtszenuw is volgens de verdediging goed genezen. Ook het litteken op het voorhoofd van het slachtoffer geneest volgens de verdediging goed en zal met een toekomstige laserbehandeling nog maar zeer beperkt zichtbaar zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van zwaar lichamelijk letsel. Het slachtoffer heeft een litteken in haar gezicht opgelopen. Zo’n litteken is naar algemeen spraakgebruik zwaar lichamelijk letsel, omdat het ontsierend en blijvend is. Dat de oogzenuw hersteld is en van het litteken volledig herstel te verwachten zou zijn, heeft de verdediging niet met medische stukken onderbouwd. Uit de toelichting van de verdediging blijkt juist dat voor (gedeeltelijk) verder herstel medisch ingrijpen nodig is, namelijk een laserbehandeling. Dit draagt bij aan de conclusie dat het hier om zwaar lichamelijk letsel gaat.
De verdachte had naar het oordeel van de rechtbank voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De lezing van de verdachte dat het gooien van/slaan met de pan een ongeluk was en hij niemand wilde raken, wordt weerlegd door de aangifte van [naam] , die verklaart dat de verdachte zei dat hij haar wilde slaan en de verklaring van de verdachte zelf direct na het incident, waarin hij zei dat hij de pan op zijn dochter wilde gooien. De vrouw en dochter waren in elkaars buurt. Door met een zware pan met kracht in hun richting te slaan/gooien met een zwevende beweging, heeft de verdachte de kans bewust aanvaard dat hij één van hen op het hoofd zou raken. Het is algemeen bekend dat het hoofd een bijzonder kwetsbaar deel van het lichaam is. Wie met kracht een zwaar en hard voorwerp gooit naar/slaat in de richting van het hoofd van een ander, aanvaardt bewust de kans dat die ander daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt.
De rechtbank komt dus tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 17 augustus 2025 te Zoetermeer aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend litteken in haar gezicht en een zenuwbeschadiging in de wenkbrauw heeft toegebracht, door eenmaal met kracht een wokpan in het gezicht van die [slachtoffer] te slaan of te gooien.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 183 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om de verdachte geen straf op te leggen in verband met de bepleitte vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zijn vrouw zwaar mishandeld met een wokpan. De mishandeling vond plaats in de gezamenlijke woning, terwijl de dochter daarbij was en de zoons van de verdachte ook thuis waren. De verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer en de kinderen. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
De aanleiding voor de mishandeling was een woordenwisseling tussen de verdachte en zijn vrouw en dochter. De rechtbank vindt het zorgelijk dat de verdachte zijn boosheid kennelijk zo slecht onder controle heeft dat dit tot een geweldsuitbarsting leidt.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 17 november 2025. De verdachte is eerder veroordeeld voor strafbare feiten, maar dit zijn geen recente zaken die vergelijkbaar zijn met deze zaak. Het strafblad weegt de rechtbank daarom niet strafverzwarend mee.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van reclasseringsadviezen over de verdachte van 26 augustus 2025 en 19 november 2025. De reclassering schrijft dat er geen aanwijzingen zijn voor structurele agressieproblemen bij de verdachte. Wel constateert de reclassering dat de verdachte normen, waarden en regels heeft meegenomen uit zijn Marokkaanse opvoeding, die botsen met de meer westers gerichte normen en waarden van zijn vrouw en kinderen. De reclassering ziet het als positief dat de verdachte werkt aan herstel van de relatie met zijn vrouw en kinderen en open staat voor begeleiding van de reclassering. De kans op herhaling schat de reclassering in als laag. De reclassering adviseert om de verdachte bij veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en de verplichting zich ambulant te laten behandelen met een opvoedtraining [zorgverlener] , gericht op ouders met een Marokkaanse achtergrond.
Het slachtoffer heeft een brief aan de rechtbank geschreven. Daarin schrijft zij dat het niet haar bedoeling was om haar echtgenoot strafrechtelijk te laten vervolgen en dat zij vooral rust en herstel wil. Ook de dochter van de verdachte heeft een bericht geschreven, waarin zij aangeeft dat het niet haar bedoeling was dat haar vader langdurig vast zou komen te zitten en dat het haar wens is dat haar vader vrijkomt, zodat ze aan hun band kunnen werken.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen dat geen vuurwapen is, geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. Vanwege de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De verdachte heeft op de dag van dit vonnis bijna vier maanden in voorarrest doorgebracht. Zowel de eis van de officier van justitie als het subsidiaire verzoek van de verdediging zouden meebrengen dat de verdachte nu vrij komt. De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegelicht dat zij in haar eis in beslissende mate rekening heeft gehouden met de wens van het slachtoffer en de dochter van de verdachte dat de verdachte vrijkomt.
De rechtbank moet de wensen van het slachtoffer afwegen tegen andere strafdoelen, waaronder het maatschappelijk belang bij vergelding en algemene preventie van (huiselijk) geweld. De dynamiek tussen aangever en slachtoffer in zaken waar huiselijk geweld speelt, is doorgaans complex en de rechtbank moet ervoor waken dat een slachtoffer onder druk van een verdachte op een bepaalde uitkomst aanstuurt. Niettemin komt de wens tot verzoening de rechtbank in deze zaak oprecht over. Daarom zal de rechtbank beslissend gewicht toekennen aan de wens van het slachtoffer om met de verdachte in vrijheid aan herstel te werken.
Dit betekent dat de rechtbank een gevangenisstraf op zal leggen van 300 dagen, maar het onvoorwaardelijk deel daarvan zal beperken tot de duur van het voorarrest van 117 dagen. De overige 183 dagen gevangenisstraf worden voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Dit betekent dat de verdachte zich moet laten begeleiden en behandelen voor zijn problematiek, en dat als hij opnieuw de fout in gaat hem een forse gevangenisstraf boven het hoofd hangt.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op gelijk aan het voorarrest en zal de voorlopige hechtenis daarom opheffen.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
1. Het proces-verbaal van aangifte van [naam] , opgemaakt op 17 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 6-12):
2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 18 augustus 2025, met bijlagen, voor zover inhoudende (p. 16-25):
3. Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt op 17 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 58-60):
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 35-37):
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 53-55):
6. Een geschrift, te weten een medische verklaring van chirurg dr. J. Zguricas van 18 augustus 2025, voor zover inhoudende (PL1500-2025278260-1, drie pagina's):
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
zware mishandeling;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 300 (DRIEHONDERD) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 183 (HONDERDDRIËENTACHTIG) DAGEN, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 (TWEE) JAREN vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland aan de [adres 2] , op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door [zorgverlener] in Den Haag, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven. De begeleiding duurt de hele proeftijd of zoveel korter de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M. Meester, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. H.G. Egter van Wissekerke, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 december 2025.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te Zoetermeer, ter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten
[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet eenmaal (met kracht) met
een (wok-)pan in het gezicht, althans tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft
geslagen en/of gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is
voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te Zoetermeer aan een ander, te weten
[slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend litteken in
haar gezicht en/of een zenuwbeschadiging in de wenkbrauw heeft toegebracht,
door eenmaal (met kracht) een (wok-)pan in het gezicht, althans tegen het hoofd
van die [slachtoffer] te slaan en/of te gooien;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te Zoetermeer, ter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [slachtoffer]
eenmaal (met kracht) met een(wok-)pan in het gezicht, althans tegen het hoofd,
heeft geslagen en/of gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf
niet is voltooid;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht
of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 augustus 2025 te Zoetermeer [slachtoffer] heeft mishandeld,
door haar eenmaal (met kracht) met een (wok-)pan in het gezicht, althans tegen het
hoofd te slaan en/of te gooien.
Bijlage II – gebruikte bewijsmiddelen
Deze bijlage bevat de bewijsmiddelen die de rechtbank heeft gebruikt voor de bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Den Haag met nummer PL1500-2025279155 (doorgenummerd pagina 1-72) en het aanvullend proces-verbaal uit het dossier van politie eenheid Den Haag met het nummer PL1500-2025278260-1. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
Op zondag 17 augustus omstreeks 13:00 uur was ik op de [adres 3] . Mijn vader schold mij uit dat ik een hoer was. Ik hoorde hem zeggen: je gaat zien, je leven gaat verwoest worden. Daarna hoorde ik hem zeggen dat hij mij wilde slaan en ik zag dat hij mij aankeek. Ik riep: "sla me dan". Ik zag dat mijn vader een pan vasthield omdat hij aan het afwassen was. Ik zag dat hij deze omhoog hield en richting mij keek waarop hij deed alsof hij mij wilde slaan. Dit was op een afstand van minder dan een meter. Mijn vader kwam opnieuw op mij af en wilde mij slaan met een pan. Ik zag dat hij mij aankeek en een zwevende beweging omhoog met de pan richting mij maakte. Mijn moeder sprong hier tussen. Ik voelde dat mijn moeder op mij viel. Ik zag meteen veel bloed. Ik keek op het hoofd van mijn moeder en ik zag dat zij aan de linkerkant een enorme open wond had.
Ik heb sinds 1998 een relatie met [verdachte] . Zondag 17 augustus 2025 hoorde ik dat [verdachte] bezig was in de keuken met borden, glazen en pannen. Alles werd hard neergezet waardoor er veel geluid werd gemaakt. Ik heb hier uiteindelijk wat van gezegd. [verdachte] gaf toen aan dat hij het zelf wel allemaal ging doen en dat ik de keuken uit moest waarbij hij mij met een arm opzij schoof. Ik hoorde dat [naam] op dat moment reageerde tegen haar vader.
Ik zag dat [verdachte] met een grote zware wokpan in zijn hand op mij af kwam lopen. [naam] stond op dat moment kort achter mij in de woonkamer. Ik zag dat [verdachte] echt boos was, hij was razend. Deze wokpan had hij al die tijd al in zijn handen omdat hij die met de hand wilde afwassen. Ik zag dat [verdachte] de wokpan opeens opzettelijk en met kracht in mijn richting gooide. Ik voelde dat de wokpan op de linkerkant boven mijn oog terecht kwam. Het was net of je ergens hard tegenaan liep. Ik voelde op dat moment geen pijn, later wel. Ik zag dat ik hevig bloedde.
Ik ben onderzocht door ambulance personeel. Zij vertelde mij dat er een wond boven mijn linkeroog zat die behandeld moest worden waar mogelijk de plastisch chirurg aan te pas moest komen. Nadat de wond verbonden was ben ik naar het Lange Land ziekenhuis vervoerd en behandeld. De wond is gehecht met 9 hechtingen. Iets onder mijn linkeroog zat ook nog een klein sneetje wat dichtgeplakt is met een hechtpleister.
Op zondag 17 augustus 2025, omstreeks 01.08 uur, kwam ik, verbalisant [verbalisant 1] , op de [adres 3] ter plaatse. Ik deelde de verdachte de cautie mede en vroeg wat er zojuist was gebeurd. Ik hoorde de verdachte verklaren dat hij in de keuken aan het afwassen was. Hij kreeg daarbij ruzie met zijn dochter. Hij werd tijdens de ruzie zo boos dat hij een wokpan die hij in zijn handen had op zijn dochter wilde gooien maar dat zijn vrouw er voor sprong.
Op zondag 17 augustus 2025 omstreeks 13:00 uur, werd ik, verbalisant [verbalisant 2] , naar de [adres 3] gestuurd. Ter plaatse liep ik de woning binnen. Ik zag dat er een metalen wokpan op de grond lag. Deze pan lag tussen de eettafel, die in de woonkamer staat en de keuken in. Ik zag dat deze pan ongeveer 40/50 centimeter breed was, zonder de steel meegerekend. Ik zag dat de gehele linkerzijde van de pan was ingedeukt. Ik zag dat er aan de buitenkant van de linkerzijde, die was ingedeukt, opgedroogd rood bloed zat.
Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , reden naar de [adres 3] , alwaar de mishandeling had plaatsgevonden. Ter plaatse op de [adres 3] hebben wij de wokpan die slachtoffer [slachtoffer] tegen haar hoofd aan had gekregen, in beslag genomen. Op het bureau heb ik, verbalisant [verbalisant 3] , de wokpan op de weegschaal gelegd. Ik zag dat de wokpan 1035,3 gram woog.
Medische informatie betreffende: [slachtoffer] .
Uitwendig waargenomen letsel: wond voorhoofd, oogkas en wang links.
Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? Ja.
Overige van belang zijnde informatie: schade aangezichtszenuw. Linker wenkbrauw kan niet omhoog.
Geschatte duur van de genezing: minimaal 1 jaar, mogelijk blijvende schade.