de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning op grond van de Verblijfsregeling Mensenhandel en beoordeelt de voorzieningenrechter eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken met het besluit van 30 september 2024. Met het bestreden besluit van 3 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de intrekking gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Filipijnse nationaliteit. Eiser heeft in november 2023 aangifte gedaan van mensenhandel en is op grond daarvan in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning ‘humanitair tijdelijk’. Op 14 mei 2024 heeft het Openbaar Ministerie besloten de zaak waarin eiser aangifte heeft gedaan te seponeren omdat er te weinig aanknopingspunten zijn voor nader strafrechtelijk onderzoek. Naar aanleiding van dit sepot heeft verweerder eisers verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 14 mei 2024 ingetrokken. Uit verweerders beleid blijkt namelijk dat hij een verblijfsvergunning van een (gesteld) slachtoffer van mensenhandel intrekt wanneer er geen sprake meer is van strafrechtelijk onderzoek naar het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. De intrekking is volgens verweerder niet in strijd met het recht op privé-, familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Er is namelijk niet gebleken dat eiser in Nederland privé-, familie-, of gezinsleven heeft in de zin van dat artikel.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Eiser heeft wel privéleven in Nederland. Hij heeft hier namelijk vrienden, werk en een netwerk en is vergevorderd maatschappelijk geïntegreerd. Verweerder moest daarom eisers belangen om in Nederland te blijven, afwegen tegen die van de Nederlandse Staat bij de intrekking. Eisers belangen moesten zwaarder wegen, ook gelet op de mensenhandel die hij heeft meegemaakt en het risico dat hij loopt bij terugkeer om vermoord te worden door de schuldeisers van zijn vader. Door eisers verblijf te beëindigen, handelt verweerder in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Daarnaast heeft verweerder de op hem rustende hoorplicht geschonden. Eiser verzoekt vergoeding van de proceskosten in bezwaar en beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Privéleven
4. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat er geen sprake is van beschermenswaardig privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Anders dan eiser heeft betoogd, heeft verweerder in het bestreden besluit wel beoordeeld of artikel 8 van het EVRM zich tegen het intrekken van de verblijfsvergunning van eiser verzet. Verweerder heeft eiser in de besluitvormings- en bezwaarfase in de gelegenheid gesteld te onderbouwen dat hij in Nederland privé-, familie- of gezinsleven heeft. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid. Ook mocht verweerder erop wijzen dat eiser zijn stellingen in beroep dat hij in Nederland vrienden heeft, werkt en geïntegreerd is, of dat hij zijn banden met de Filipijnen heeft doorbroken, niet nader heeft onderbouwd. Omdat er geen sprake is van beschermenswaardig privéleven, hoefde verweerder ook geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM te maken.
Evenredigheid
5. De rechtbank oordeelt ook dat verweerder niet in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel. Verweerder heeft terecht gewezen op zijn beleid dat hij een verblijfsvergunning van een (gesteld) slachtoffer van mensenhandel intrekt wanneer er geen sprake meer is van strafrechtelijk onderzoek naar het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. In de stelling dat eiser zich in een kwetsbare positie bevindt als slachtoffer van mensenhandel, hoefde verweerder geen aanleiding te zien om van dit beleid af te wijken. Verweerder heeft er in het verweerschrift terecht op gewezen dat de verblijfsvergunning op grond van de Verblijfsregeling Mensenhandel er niet op ziet om slachtoffers van mensenhandel te beschermen, maar om het medewerking aan strafvervolging mogelijk te maken. Daar komt bij dat niet vast is komen te staan dat eiser slachtoffer is van mensenhandel, nu zijn zaak is geseponeerd. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat eiser een aanvraag kan indienen voor een niet-tijdelijke vergunning op humanitaire gronden, als hij meent dat zijn slachtofferschap een bijzondere individuele omstandigheid vormt op grond waarvan niet van hem kan worden verlangd dat hij Nederland verlaat. Eisers gestelde slachtofferschap leidt dus niet tot de conclusie het dat vasthouden aan de beleidsregel onevenredige gevolgen heeft voor eiser. Waar eiser naar voren heeft gebracht dat hij in de Filipijnen gevaar loopt vanwege problemen met de schuldeisers van zijn vader, heeft verweerder er terecht op gewezen dat dit niet in deze procedure, maar in een asielprocedure naar voren kan worden gebracht. Ook deze omstandigheid kan dus in de onderhavige procedure niet leiden tot de conclusie dat de intrekking onevenredig is. De rechtbank wijst er daarbij op dat eiser zijn gestelde problemen met de schuldeisers niet nader heeft onderbouwd en dat deze ook niet op een andere manier zijn gebleken. De beroepsgrond bevat daarom geen nieuwe informatie ten opzichte van de bezwaarfase. Nu verweerder in principe moet handelen volgens zijn beleidsregels en er geen omstandigheden zijn gebleken waarom de toepassing van het beleid in eisers geval onevenredig is, heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser op goede gronden ingetrokken.
De hoorplicht
6. Tot slot volgt de rechtbank het standpunt van eiser niet dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Van het horen in bezwaar mag pas worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Gelet op de motivering van het primaire besluit en de inhoud van de gronden van het bezwaar van eiser, mocht verweerder afzien van het horen van eiser. Eiser heeft namelijk in bezwaar geen nieuwe omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding zouden zijn om te horen.
Proceskosten
7. De proceskosten in bezwaar worden uitsluitend vergoed voor zover het primaire besluit wordt herroepen vanwege een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Omdat daar hier geen sprake van is, ziet de rechtbank geen aanleiding om een proceskostenvergoeding in bezwaar toe te kennen. Nu het beroep ongegrond is, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.