Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/9270
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2021 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gedeeltelijk toegewezen.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2025. Namens eiseres is verschenen [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres houdt sinds 6 juni 2000 alle aandelen in [bedrijfsnaam] s.r.l, gevestigd in Italië (de deelneming). De deelneming had ten doel de exploitatie van een waterbron in Noord-Italië.
2. Op 3 juli 2019 is de deelneming ontbonden en op 24 november 2021 is de vereffening afgerond. De deelneming is op 25 november 2021 uitgeschreven uit de Italiaanse de Kamer van Koophandel.
3. Eiseres heeft aangifte Vpb voor het jaar 2021 gedaan naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van negatief € 3.471. De aanslag Vpb 2021 is opgelegd conform de aangifte.
4. In bezwaar heeft eiseres verzocht om een liquidatieverlies van € 862.904,24 in aanmerking te nemen als gevolg van de liquidatie van de deelneming. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar rekening gehouden met een liquidatieverlies van € 25.780. Het belastbaar bedrag is vastgesteld op negatief € 29.251.
5. Eiseres heeft in beroep voor de jaren 2000, 2002 tot en met 2012 jaarstukken (bilancio) van de deelneming (de jaarstukken) en diverse balansen van eiseres overgelegd.
Geschil
6. In geschil is de hoogte van het in aanmerking te nemen liquidatieverlies. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres geen liquidatie-uitkeringen van de deelneming heeft ontvangen.
7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op een liquidatieverlies van € 863.268, dan wel een lager bedrag: respectievelijk € 536.092, € 187.047 of € 97.031.
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres een liquidatieverlies van maximaal € 25.780 in aanmerking kan nemen.
Beoordeling van het geschil
9. Uit artikel 13d, veertiende lid, aanhef en onder d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) volgt dat eiseres het liquidatieverlies slechts in aanmerking kan nemen voor zover eiseres de omvang van het liquidatieverlies doet blijken. Dit betekent dat zij de omvang van dat verlies overtuigend moet aantonen.
10. Tussen partijen is niet in geschil dat de post Versamenti in conto capitale (naar de rechtbank begrijpt: kapitaalstortingen) in de jaarstukken in totaal is toegenomen met een bedrag van € 187.047. Uit de toelichting die is opgenomen in de jaarstukken maakt de rechtbank op dat deze kapitaalstortingen alleen door de aandeelhouder kunnen zijn verricht, hetgeen verweerder niet heeft weersproken. Omdat eiseres de enige aandeelhouder van de deelneming is geweest, kan alleen eiseres deze kapitaalstortingen in de deelneming hebben gedaan. Gelet hierop bedraagt het in aanmerking te nemen liquidatieverlies naar het oordeel van de rechtbank € 187.047. In zoverre is het beroep gegrond.
11. Eiseres heeft niet doen blijken dat een hoger liquidatieverlies dan € 187.047 in aanmerking kan worden genomen. Voor de stelling van eiseres dat het liquidatieverlies op € 863.268 moet worden vastgesteld, omdat het opgeofferde bedrag gelijk is aan de stand van de crediteuren met een aanpassing voor het jaarresultaat van eiseres, zijn geen aanknopingspunten te vinden in het dossier. Voor de stelling dat dit bedrag in eerste instantie schulden van de deelneming aan diverse investeerders waren die eiseres heeft overgenomen van de deelneming, zijn geen bewijsstukken overgelegd. Ook de stelling van eiseres dat het liquidatieverlies op € 536.092 moet worden vastgesteld, omdat dit het totale bedrag aan kapitaalstortingen is die eiseres in de deelneming heeft gedaan in de jaren 2000 tot en met 2015, is niet onderbouwd. Het enkel verstrekken van een overzicht met de daarop vermelde bedragen is, zonder het verstrekken van de onderliggende gegevens, onvoldoende.
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Proceskosten
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Bandsma, voorzitter, en mr. S.E. Postema en mr. D.M. Drok, leden, in aanwezigheid van mr. M.D. Plukaard, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).