RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59472
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 2 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1989 en de Oezbeekse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
3. Eiser betwist alle zware gronden. Hiertoe voert hij aan dat hij zich niet bewust heeft onttrokken aan het toezicht. Het besluit van 7 oktober 2025 waarbij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ is afgewezen en aan hem een terugkeerbesluit is opgelegd, is hem niet bekend, zodat hij niet op de hoogte was van zijn verplichting om terug te keren naar Oezbekistan.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de zware gronden aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank stelt vast dat verweerder het besluit van 7 oktober 2025 naar het adres heeft opgestuurd dat eiser bij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning als postadres heeft opgegeven. Het voorgaande besluit is dan ook op juiste wijze kenbaar heeft gemaakt, zodat eiser hiervan op de hoogte hoorde te zijn. Het is verder aan eiser om eventuele wijzigingen ten aanzien van zijn post-/verblijfadres aan verweerder door te geven. Deze zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
5. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Eiser heeft geen strafblad en wil graag in de gelegenheid worden gesteld om zijn vertrek in vrijheid zelfstandig te regelen.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het onttrekkingsrisico te ondervangen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, voldoende gronden aanwezig zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarnaast is eiser eerder in de gelegenheid gesteld om zijn vertrek te organiseren binnen vier weken. Verder is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is.
Ambtshalve toets
7. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 15 december 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.