uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen
de erfgenaam van [erflaatster], gewoond hebbende te Den Haag, verzoekster
(gemachtigde: mr. Ö. Şahin),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: R.K. Singh).
Inleiding
1. Met het bestreden besluit van 23 april 2024 heeft het college verschillende woningaanpassingen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 toegekend. [erflaatster] heeft hiertegen beroep ingesteld omdat zij het niet eens met de omvang van de toegekende woningaanpassingen. Bij tussenuitspraak van 3 september 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel en het college opgedragen om binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen.
Bij brief van 4 september 2025 heeft het college de rechtbank meegedeeld dat [erflaatster] op [datum] 2025 is overleden waardoor de noodzaak tot herstel is komen te vervallen.
De erfgenaam van [erflaatster] heeft vervolgens het beroep op 9 oktober 2025 ingetrokken met daarbij het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft bij brief van 14 oktober 2025 meegedeeld een proceskostenveroordeling niet onredelijk te vinden.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt vast dat het college zich niet verzet tegen vergoeding van de door verzoekster gemaakte proceskosten. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het verzoek kennelijk gegrond.
3. De rechtbank veroordeelt het college in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekster heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Deze gemachtigde heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting. Deze proceshandelingen leveren twee punten op met een waarde van € 907,- per punt en wegingsfactor 1. Dat betekent dat de totale proceskosten die het college moet vergoeden € 1.814,- bedragen.
4. De rechtbank ziet ook aanleiding het college te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.