RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59993
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 20 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 15 december 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1995 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 29 oktober 2025.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de termijn om (aanvullende) gronden van beroep in te dienen. Voor zover eiser in het beroepschrift stelt dat onvoldoende voortvarend wordt gehandeld en zicht op uitzetting ontbreekt, ziet de rechtbank vooralsnog geen aanleiding om te oordelen dat onvoldoende voortvarend wordt gewerkt aan de uitzetting van eiser. De lp-aanvraag is op 7 november verzonden aan de Marokkaanse vertegenwoordiging. Verweerder heeft op 27 november schriftelijk gerappelleerd over deze aanvraag en op 21 november heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden. Verder stelt de rechtbank voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat dat inmiddels anders ligt. Dat verweerder tot op heden geen reactie van de Marokkaanse autoriteiten heeft ontvangen op de lp-aanvraag ten behoeve van eiser, betekent niet dat geen zicht op uitzetting meer bestaat. Verweerder moet enige tijd gegund worden om dit te kunnen afwachten. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven.
5. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 15 december 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.