RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11601
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
(gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel de minister eisers aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat eiser aan zijn aanvraag geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. De minister heeft de hoorplicht niet geschonden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf onder de beperking arbeid in loondienst op grond van het verdrag tussen de Europese Unie en Turkije. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 16 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 februari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft hij het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiser had in Nederland tot 4 maart 2024 verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, omdat hij een tijdelijke verblijfsvergunning had in Oekraïne. Eiser heeft op 16 maart 2023 een eerste aanvraag ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 6 van Besluit 1/80. Deze eerste aanvraag is bij besluit van 31 mei 2023 afgewezen, omdat er volgens de minister geen sprake was van een duurzaam verblijfsrecht en eiser daarom geen legale arbeid heeft verricht als bedoeld in dit artikel. De minister heeft het hiertegen gerichte bezwaar van eiser met het besluit van 18 april 2024 ongegrond verklaard. Eiser is tegen deze ongegrondverklaring in beroep gegaan. In de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 november 2024 is het beroep van eiser ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen deze uitspraak is ten tijde van deze uitspraak nog aanhangig bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
Eiser heeft op 1 juni 2024 een opvolgende aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 6 van Besluit 1/80. Eiser heeft deze opvolgende aanvraag ingediend op grond van de omstandigheid dat hij hier naar eigen zeggen inmiddels al twee jaar legaal arbeid heeft verricht. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd aan deze aanvraag en heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit van 31 mei 2023.
Heeft de minister de aanvraag mogen afwijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit van 31 mei 2023?
4. Eiser betoogt dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen en dat de
minister de aanvraag inhoudelijk had moeten behandelen. Eiser wijst erop dat hij verblijf had op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en dat hij gedurende dat verblijf inmiddels twee jaar legaal arbeid heeft verricht. Hij verwijst ook naar het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2012. Daaruit blijkt volgens eiser dat de aard van het verblijfsrecht geen verschil maakt voor de vraag in hoeverre de Turkse onderdaan op grond van artikel 6, eerste streepje, van het Besluit 1/80 toegang krijgt tot de Nederlandse arbeidsmarkt (en daarmee ook een verblijfsrecht op grond van het Associatierecht) na een jaar legaal verblijf. Volgens eiser volgt uit voorgaande dat sprake is van een buitengewoon belang van eiser en bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag door de minister. Eiser heeft verder betoogt dat het besluit van 31 mei 2023 (op zijn eerdere aanvraag) evident onjuist is en dat de minister zich daarom niet op dat besluit heeft mogen beroepen. Tot slot betoogt eiser dat de minister zijn bezwaar gezien zijn zwaarwegende belangen en de bijzondere omstandigheden niet heeft mogen afdoen als kennelijk ongegrond en hem daarom had moeten horen.
Het juridisch kader
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen moet onder de in artikel 4:6 van de Awb bedoelde nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en daarom behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en daarom behoorden te worden overgelegd.
Wat vindt de rechtbank?
Het betoog slaagt niet. De rechtbank constateert dat de eerdere aanvraag van eiser, zoals de minister ook stelt, is afgewezen om dezelfde reden als de huidige, namelijk om de reden dat vanwege zijn verblijf op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, dat geen onomstreden verblijfsrecht omvat, zijn arbeid niet als legale arbeid als bedoeld in artikel 6 van besluit nr. 1/80 is aan te merken. Dat eiser nu langer arbeid heeft verricht is geen nieuwe omstandigheid omdat de door de minister aan te leggen toets daardoor niet anders wordt. Zoals de minister naar voren heeft gebracht en ook deze rechtbank en zittingsplaats reeds eerder heeft geoordeeld, bevindt eiser zich niet in een stabiele en niet-tijdelijk situatie op de arbeidsmarkt, zodat geen sprake is geweest van een onomstreden verblijfsrecht. Dat betekent dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde in artikel 6 van besluit nr. 1/80 dat sprake moet zijn van legale arbeid. De minister heeft de aanvraag van eiser daarom mogen afwijzen op grond van artikel 4:6 van de Awb, onder verwijzing van zijn eerdere besluit van 31 mei 2023. Van een buitengewoon belang van eiser of van bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.
Voor zover het betreft de gronden van eiser dat het besluit van 31 mei 2023 evident onjuist is en dat de aard van het verblijfsrecht volgens eiser geen verschil maakt voor de vraag in hoeverre de Turkse onderdaan op grond van Besluit 1/80 toegang krijgt tot de Nederlandse arbeidsmarkt, sluit de rechtbank zich aldus aan bij haar eerdere uitspraak van 12 november 2024. Deze door eiser aangevoerde gronden liggen ten tijde van deze uitspraak (ook) voor in hoger beroep tegen de uitspraak van 12 november 2024.
Gezien het oordeel van de rechtbank heeft de minister de aanvraag van eiser terecht als kennelijk ongegrond afgedaan. De minister heeft eiser daarom niet hoeven horen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.