RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49768
(gemachtigde: mr. M.L. Saija),
en
(gemachtigde: mr. C.D.G. IJzendoorn).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het verlengen van de overdrachtstermijn voor de overdracht naar Spanje, omdat er volgens de minister sprake is van onderduiken. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlenging van de overdrachtstermijn.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser is ondergedoken en dat hij daarom de overdrachtstermijn heeft mogen verlengen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft bij het bestreden besluit van 6 oktober 2025 besloten de overdrachtstermijn voor de overdracht van eiser aan Spanje te verlengen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde zijn met vooraankondiging niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft asiel aangevraagd in Nederland. In dit geval heeft Nederland Spanje verantwoordelijk geacht voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 18 juli 2025 op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening, aanvaard.
Bij het bestreden besluit heeft de minister de termijn om eiser aan Spanje over te dragen verlengd met 12 maanden (tot 18 maanden) omdat hij volgens de minister is ondergedoken. Volgens de minister is eiser per 13 oktober 2025 met onbekende bestemming vertrokken (MOB). Verder legt de minister aan het bestreden besluit ten grondslag dat eiser driemaal een vertrekgesprek heeft gemist en niet is verschenen bij de Dienst Terugkeer & Vertrek te weten op 14 augustus, 27 augustus en 2 september 2025. De minister stelt zich daarom op het standpunt dat eiser is ondergedoken terwijl hij wel op de hoogte was van zijn verplichting om bereikbaar te zijn voor de minister.
Het verlengen van de overdrachtstermijn vanwege onderduiken
Het betoog van eiser
4. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij is ondergedoken. Eiser is niet MOB, omdat hij naar een voetbalwedstrijd was en zich daardoor niet heeft gemeld. Hij heeft zijn vertrek en verblijf buiten het AZC in dit kader gemeld bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De gemachtigde van eiser heeft een screenshot overgelegd van een mailbericht waaruit blijkt dat zij nog contact heeft met eiser en betoogt dat eiser zich zo snel mogelijk weer zal melden bij de Nederlandse autoriteiten. Verder betoogt eiser dat er nooit een overdracht is ingepland en dat daarom ook geen sprake kan zijn van het doelbewust buiten bereik van de autoriteiten blijven om een overdracht te voorkomen. Eiser betoogt tot slot dat hij bij het instellen van beroep tegen het besluit waarbij zijn asielaanvraag niet in behandeling is genomen ook een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend, wat maakt dat hij in afwachting van een uitspraak op dat verzoek niet mag worden overgedragen.
Het juridisch kader
In artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening is bepaald dat indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen of terug te nemen komt te vervallen en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat. Indien de overdracht niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal 18 maanden worden verlengd indien de betrokkene onderduikt. Het Hof van Justitie heeft in het arrest Jawo het begrip ‘onderduiken’ uitgelegd. Van onderduiken is sprake wanneer de vreemdeling doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het doel om deze overdracht te voorkomen. Dat is het geval wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de betrokkene de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, hoewel hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen. Hierbij is ook van belang dat de vreemdeling in kennis wordt gesteld van zijn verplichting om mee te werken aan de overdracht en moet hij geïnformeerd worden over de gevolgen van het niet meewerken hieraan.
Van onderduiken kan ook sprake kan zijn als er nog geen overdracht is gepland of als nog geen mogelijkheid bestaat om over te gaan tot overdracht. Ook in eerdere stadia van de procedure is het daarom niet de bedoeling dat een vreemdeling zich aan het toezicht van de minister kan onttrekken zonder dat de minister de overdrachtstermijn kan verlengen.
Het oordeel van de rechtbank
Het betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd mocht worden, omdat sprake was van onderduiken. Allereerst wijst de minister er in dit kader terecht op dat eiser is geïnformeerd over zijn verplichtingen, zijnde het verblijven in de aangewezen opvanglocatie en het voldoen aan de dagelijkse meldplicht, middels het door eiser ondertekende M35-H formulier en het rechten en plichten formulier van het COa. Uit de door de minister overgelegde screenshot van een systeem van de IND volgt dat eiser op 13 oktober MOB is gemeld. Verder heeft de minister een drietal rapportages overgelegd waaruit volgt dat eiser driemaal een vertrekgesprek heeft gemist en niet is verschenen bij de Dienst Terugkeer & Vertrek te weten op 14 augustus, 27 augustus en 2 september 2025. Uit de stukken van de minister blijkt dat eiser van deze vertrekgesprekken op de hoogte is gebracht door middel van een brief en een afsprakenlijst. De minister heeft in de beroepsfase ook nog gemeld dat eiser via WhatsApp op de hoogte is gesteld van de vertrekgesprekken. Dit heeft eiser ook niet bestreden. De minister wijst er verder terecht op dat eiser zijn betoog dat hij naar een voetbalwedstrijd was niet heeft onderbouwd en dat daarvoor door het COa bovendien nooit toestemming is gegeven. Dat eiser nog contact heeft met zijn gemachtigde, zoals blijkt uit de Dublinzaak die ook op de zitting is behandeld, maakt niet anders dat hij buiten bereik van de autoriteiten was zonder daarvoor toestemming te hebben gekregen.
Op grond van al deze meldingen tezamen heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat sprake is van onderduiken, nu daaruit genoegzaam blijkt dat eiser zich aan zijn overdracht probeert te onttrekken door doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten te blijven. Gelet op wat onder 4.1. is overwogen wordt het betoog van eiser dat er nooit een overdracht is ingepland en dat daarom ook geen sprake kan zijn van onderduiken verworpen. Verder wordt daarom ook het betoog van eiser dat hij bij het instellen van beroep in tegen het besluit tot niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag ook een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend, wat maakt dat hij in afwachting van een uitspraak op dat verzoek niet mag worden overgedragen, verworpen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en de minister de overdrachtstermijn mocht verlengen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.