ECLI:NL:RBDHA:2025:24018

ECLI:NL:RBDHA:2025:24018, Rechtbank Den Haag, 12-12-2025, NL25.29518

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-12-2025
Datum publicatie 16-12-2025
Zaaknummer NL25.29518
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

derde asielaanvraag, Sri Lanka, vrees voor vervolging bij terugkeer vanwege politieke activiteiten, inreisverbod, redelijke termijn artikel 6 van het EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.29518

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de derde asielaanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat omdat in het besluit niet is ingegaan op het verzoek om heroverweging. Daarmee is het beroep van eiser gegrond. De rechtgevolgen van het besluit kunnen echter in stand gelaten worden, omdat de minister bij aanvulling van 10 oktober 2025 alsnog is ingegaan op het verzoek om heroverweging. Daarnaast heeft de minister zicht terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging loopt bij terugkeer naar Sri Lanka vanwege de politieke activiteiten die hij daar wil verrichten en heeft de minister aan eiser een inreisverbod mogen opleggen. Tot slot oordeelt de rechtbank dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM is overschreden waardoor eiser recht heeft op een schadevergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 13 oktober 2021 een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 10 juli 2025 afgewezen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 24 oktober 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

De rechtbank heeft het onderzoek op 10 november 2025 heropend, omdat het onderzoek ter zitting niet volledig is geweest. De minister is namelijk tijdens de zitting onvoldoende in de gelegenheid gesteld om te reageren op de aanvullende gronden van eiser van 20 oktober 2025. De rechtbank heeft de minister alsnog de gelegenheid gegeven hierop schriftelijk te reageren. Vervolgens heeft eiser nog kunnen reageren op het standpunt van de minister. De rechtbank heeft op 3 december 2025 het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Eerdere procedures

3. Eiser heeft op 11 juli 2019 zijn eerste aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag heeft de minister bij besluit van 27 juli 2019 afgewezen. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2019 staat dit besluit in rechte vast. Op 5 september 2020 heeft eiser opnieuw asiel aangevraagd. Deze aanvraag heeft de minister bij besluit van 6 januari 2021 afgewezen. Dit besluit staat in rechte vast met de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2021.

Op 13 oktober 2021 heeft eiser zijn huidige (derde) asielaanvraag ingediend en daarbij een verzoek om heroverweging gedaan. Deze aanvraag heeft de minister in eerste instantie afgewezen als kennelijk ongegrond met het besluit van 11 maart 2022. Dit besluit is op 15 maart 2024 ingetrokken, waarna de minister op 20 december 2024 de aanvraag opnieuw heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep tegen dit besluit heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, gegrond verklaard op 20 mei 2025. De minister heeft vervolgens op 10 juli 2025 opnieuw een besluit genomen en de aanvraag wederom afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft de minister op 10 oktober 2025 het verzoek om heroverweging afgewezen.

Huidige aanvraag

4. Eiser heeft aan zijn huidige aanvraag ten grondslag gelegd dat hij jaarlijks de Heldendag bezoekt. Bij de organisatie van de Heldendag is het Tamil Forum betrokken en deze organisatie is door de Sri Lankaanse autoriteiten verboden, zoals blijkt uit de Gazette van 25 februari 2025. Hiermee wil eiser aantonen dat de Sri Lankaanse autoriteiten op de hoogte zijn van de activiteiten van in Nederland wonende Tamils, en dus ook van eisers activiteiten. Verder wijst eiser op de uitspraak van het Upper Tribunal van 27 mei 2021. Uit deze uitspraak volgt dat Tamils in de diaspora die deelnemen aan demonstraties, bij terugkeer naar Sri Lanka worden vervolgd. Ter onderbouwing van zijn deelname aan demonstraties, heeft eiser een aantal foto’s overgelegd.

Besluitvorming

5. Bij besluit van 20 december 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle heeft dit besluit echter vernietigd bij uitspraak van 20 mei 2025. In deze uitspraak oordeelde de rechtbank dat de minister in het licht van algemene informatie, waarin staat dat de autoriteiten verhoogde aandacht hebben voor personen die zich openlijk uitlaten voor een onafhankelijke staat (Tamil Eelam), onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser, gelet op de uitingen die hij in Sri Lanka wil gaan doen, namelijk het zwaaien met de tijgervlag en het roepen van Tamil Eelam, niet onder de negatieve aandacht zal komen te staan. Verder heeft de rechtbank in deze uitspraak geoordeeld dat de minister eiser niet aanvullend had hoeven horen, omdat in het gehoor opvolgende aanvraag voldoende is gevraagd naar welke activiteiten eiser in Sri Lanka wil verrichten. Daarnaast heeft eiser volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn activiteiten in Nederland bekend zou zijn bij de autoriteiten en heeft de minister terecht geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Sri Lanka op de luchthaven onder de negatieve belangstelling van de autoriteiten zal staan. Dat hij op de luchthaven mogelijk aan een nader onderzoek zal worden onderworpen, is onvoldoende om reeds daarom aan te nemen dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt, aldus de rechtbank.

De minister heeft op 10 juli 2025 een nieuw besluit genomen (het bestreden besluit in onderhavige procedure). In dit besluit heeft de minister met betrekking tot de vraag of eiser aanvullend gehoord moest worden en of eiser vanwege politieke activiteiten in Nederland onder de negatieve aandacht van de autoriteiten in Sri Lanka staat, verwezen naar de uitspraak van zittingsplaats Zwolle. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hoewel uit het Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024 (Thematisch ambtsbericht) blijkt dat sommige bronnen aangeven dat autoriteiten een verhoogde aandacht zouden hebben voor personen die prominent actief zijn voor verboden Tamil organisaties of die zich openlijk hebben uitgelaten voor een onafhankelijk Tamil Eelam, dit niet betekent dat sprake is van (gegrond vrees voor) vervolging. Dat blijkt namelijk niet uit het Thematisch ambtsbericht.

De minister is op 10 oktober 2025, na indienen van beroep, ingegaan op het verzoek om heroverweging. Dit verzoek heeft de minister afgewezen omdat eiser geen omstandigheden heeft genoemd die destijds tot een vergunningverlening hadden moeten leiden.

De minister heeft in het besluit van 10 juli 2025 het verzoek om heroverweging niet inhoudelijk beoordeeld. De minister heeft het verzoek om heroverweging echter alsnog beoordeeld en afgewezen bij aanvulling van 20 oktober 2025. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het besluit van 10 juli 2025 een motiveringsgebrek, omdat de minister op grond van het Informatiebericht 2025/6 het verzoek om heroverweging had moeten beoordelen aan de hand van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrechter (Awb). Dit heeft de minister pas bij aanvulling van 20 oktober 2025 gedaan, waarmee het bestreden besluit van 10 juli 2025 gebrekkig is. Het beroep van eiser is daarmee gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dit zal de rechtbank hieronder toelichten.

Gronden waarover al geoordeeld is door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle

6. Eiser voert aan dat de minister hem aanvullend had moeten horen over welke politieke activiteiten hij wil verrichten als hij terug moet keren naar Sri Lanka, mede gelet op het feit dat eiser inmiddels meer politieke activiteiten heeft verricht. Verder voert eiser aan dat hij wel onder de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten bij aankomst op de luchthaven en dat hij in Nederland heeft deelgenomen aan bijeenkomsten waarbij hij zichtbaar is op foto’s en video’s.

De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 20 mei 2025. In deze uitspraak is de rechtbank ingegaan op deze gronden en heeft de rechtbank geoordeeld dat die gronden niet slagen. Eiser is tegen deze uitspraak niet in hoger beroep gegaan, waarmee de uitspraak kracht van gewijsde heeft. In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen reden om hierover anders te oordelen. De gronden die eiser heeft aangevoerd zijn namelijk een herhaling van dat wat eiser bij de uitspraak van 20 mei 2025 heeft aangevoerd. Dat eiser sinds deze uitspraak zijn politieke activiteiten heeft voortgezet, maakt niet dat anders geoordeeld moet worden over de vraag of eiser opnieuw gehoord had moeten worden gelet op het korte tijdsverloop sinds de uitspraak .

Loopt eiser gegronde vrees voor vervolging vanwege de politieke activiteiten die hij bij terugkeer wil gaan verrichten?

7. Eiser betoogt dat de minister het gegronde vrees voor vervolging onvoldoende heeft onderzocht. Hierbij voert eiser aan dat separatistische uitingen, zoals publiekelijk oproepen tot de oprichting van een Tamil Eelam, door de autoriteiten niet worden getolereerd en in de praktijk leiden tot intimidatie, arrestatie of vervolging op grond van de Prevention of Terrorism Act (PTA). Deze wet biedt ruime opsporingsbevoegdheden en kent geen waarborgen die gebruikelijk zijn in het reguliere strafrecht. Eiser maakt gebruik van symbolen zoals de rode vlag en het tijgerlogo, en hij wil dit in Sri Lanka ook blijven doen. De Sri Lankaanse autoriteiten beschouwen deze symbolen als uiting van steun aan de LTTE (de Tamil Tijgers) en daarmee loopt eiser gegronde vrees voor vervolging omdat hij aangemerkt wordt als aanhanger van een terroristische organisatie. Daarbij maakt het niet uit dat eiser geen prominent of hooggeplaatst persoon is, omdat ook gewone burgers op basis van de PTA worden gearresteerd, Eiser wijst ter onderbouwing op het Thematisch ambtsbericht en recente mediaberichten.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging loopt bij terugkeer naar Sri Lanka vanwege de politieke activiteiten die hij daar wil verrichten. Hoewel uit het Thematisch ambtsbericht blijkt dat de autoriteiten een verhoogde aandacht hebben voor personen die prominent actief zijn voor verboden Tamil organisaties of die zich openlijk hebben uitgelaten voor een onafhankelijk Tamil Eelam, betekent dat niet dat ook sprake is van vervolging. Uit het Thematisch ambtsbericht blijkt namelijk dat de laatste jaren geen arrestaties van terugkeerders hebben plaatsgevonden en dat de situatie voor Tamils is verbeterd. Met betrekking tot de PTA stelt de minister terecht dat de activiteiten die eiser heeft verricht niet zijn aan te merken als terreuracties en daardoor niet onder de PTA vallen. Verder overweegt de minister terecht dat uit landeninformatie blijkt dat in toenemende mate ruimte is voor discussie over de Tamil herdenkingen en de wens voor berechting vanuit de Tamilgemeenschap en dat oppositiegroeperingen over het algemeen vrij waren om vreedzame activiteiten uit te voeren zonder daarbij problemen te krijgen. Eiser heeft verklaard dat hij zich vreedzaam wil inzetten voor een onafhankelijke staat en daarbij shirts met het tijgerlogo wil dragen en met een tijgervlag zal zwaaien. Uit de algemene landinformatie volgt dat het tonen van symbolen als de Tijgervlag in sommige gevallen leidt tot arrestatie en/of kortdurende detentie, maar uit de landeninformatie blijkt niet dat het enkele tonen van een dergelijk symbool op zich leidt tot vervolging. De minister heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat eiser gegronde vrees voor vervolging heeft.

Mocht de minister aan eiser een inreisverbod opleggen?

8. Eiser betoogt dat de minister aan hem geen inreisverbod had mogen opleggen omdat dit in strijd is met artikel 8 van het EVRM en het Unierecht. Eiser heeft namelijk een Duitse partner met wie hij in ondertrouw is gegaan en door hem een inreisverbod op te leggen wordt zij belemmerd in de uitoefening van haar vrije verkeersrechten. Eiser heeft ter onderbouwing van de relatie een aantal foto’s overgelegd.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft namelijk terecht gesteld dat een inreisverbod ex-tunc beoordeeld dient te worden omdat de uitzondering van artikel 83 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet van toepassing is. Op het moment dat de minister het besluit nam, was de (gestelde) relatie niet bekend bij de minister. Eiser heeft eerst in beroep naar voren gebracht dat hij een relatie zou hebben met een Duitse vrouw en gesteld noch onderbouwd dat die relatie al bestond op het moment van het nemen van het besluit. Hoe dan ook heeft eiser het bestaan van de relatie met het overleggen van een (kopie) van het identiteitsbewijs van zijn gestelde partner en de foto’s, zoals de minister terecht stelt, onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. De minister heeft daarom niet hoeven afzien van het opleggen van een inreisverbod.

Is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM overschreden?

9. Eiser betoogt dat de redelijke termijn is overschreden omdat het meer dan vier jaar heeft geduurd voordat de minister een beslissing heeft genomen op het verzoek om heroverweging.

Uit artikel 6 van het EVRM volgt dat geschillen binnen een redelijke termijn moeten worden beslecht. Volgens vaste rechtspraak geldt het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende beginsel van rechtszekerheid ook in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen. Dat betekent dat die procedures binnen een redelijke termijn worden beslecht, waarbij wordt aangesloten bij de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de uitleg van deze verdragsbepaling. Uit die rechtspraak volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn voor de beslechting van een procedure, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie, als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld. In zaken waarin er geen bezwaarfase is, zoals asielzaken, bedraagt de redelijke termijn twee jaar voor de beroepsfase en twee jaar voor de fase in hoger beroep.

Eiser heeft op 21 april 2021 beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag, waardoor op dat moment sprake is van een geschil en de redelijke termijn begint te lopen. Deze (eerste) beroepsprocedure is geëindigd nadat de minister op 15 maart 2024 het bestreden besluit van 11 april 2021 heeft ingetrokken. De minister heeft vervolgens op 20 december 2024 een nieuw besluit genomen, waartegen eiser opnieuw in beroep is gegaan. Die (tweede) beroepsprocedure is geëindigd met de gegronde uitspraak van 20 mei 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle. Eiser heeft vervolgens op 3 juli 2025 opnieuw beroep ingediend omdat de minister niet binnen de door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle opgelegde termijn opnieuw een beslissing heeft genomen. De minister heeft op 10 juli 2025 een besluit genomen, waarmee het beroep van eiser is omgeklapt naar een inhoudelijk beroep. Deze (derde) beroepsprocedure eindigt met deze uitspraak. De redelijke termijn in de zaak van eiser bedraagt twee jaar. Dit betekent dat het geschil uiterlijk op 21 april 2023 moest zijn beëindigd (dat is immers twee jaar ná het instellen van het (eerste) beroep). De rechtbank heeft pas op 12 december 2025 uitspraak gedaan. Daarom is de redelijke termijn in deze zaak met achttien maanden overschreden. De overschrijding van achttien maanden dient in dit geval volledig aan de minister te worden toegerekend, omdat de overschrijding door hem is veroorzaakt en in de omstandigheden van het geval geen reden is gelegen voor een ander oordeel.

Bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding heeft als uitgangspunt te gelden dat voor elk half jaar (of een gedeelte daarvan) dat de redelijke termijn is overschreden een vergoeding voor immateriële schade van €500,- wordt toegekend. Zoals hiervoor overwogen, bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak achttien maanden. De schadevergoeding aan eiser bedraagt daarom €1.500,-.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep van eiser is gegrond, omdat er een motiveringsgebrek aan het bestreden besluit kleeft. Echter kunnen de rechtgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten worden, gelet op wat onder 7.1 en 8.1 is geoordeeld.

Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van aanvullende gronden na heropening met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Er zijn verder geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.500,- aan schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot betaling van € € 2.267,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W. Loof

Griffier

  • mr. K.H.M.M. Otten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?