ECLI:NL:RBDHA:2025:24020

ECLI:NL:RBDHA:2025:24020, Rechtbank Den Haag, 12-12-2025, NL25.49870

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-12-2025
Datum publicatie 16-12-2025
Zaaknummer NL25.49870
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Dublin Noorwegen - visum - artikel 12 lid 4 Dublinverordening - artikel 17 Dublinverordening - beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Noorwegen verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft op 9 juli 2025 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Uit het Europese Unie – Visum Informatie Systeem (EU-VIS) is gebleken dat eiser door Noorwegen in het bezit is gesteld van een (Schengen)visum, die geldig was van 29 januari 2025 tot 14 mei 2025. Dit betekent dat het visum minder dan zes maanden voorafgaand aan de asielaanvraag is verlopen. De minister heeft daarom op 28 augustus 2025 bij de autoriteiten van Noorwegen een verzoek om overname gedaan op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. De Noorse autoriteiten hebben dit verzoek op 29 augustus 2025 aanvaard.

Is Noorwegen verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres?

5. Eiser voert aan dat de minister er ten onrechte van uitgaat dat Noorwegen als visumverlenend land verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming. Hij is niet met dit visum het grondgebied van de lidstaten ingereisd. Eiser heeft daarmee het visum niet daadwerkelijk gebruikt.

De minister stelt dat eiser op enig moment per vliegtuig de EU is ingereisd en dat het Noorse visum als enig visum in de systemen naar voren komt. Dit is afdoende om de verantwoordelijkheid van Noorwegen vast te stellen. De minister wijst er ook op dat de Noorse autoriteiten de Dublinclaim hebben geaccepteerd.

De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt. Eiser is op enig moment voorafgaand aan de asielaanvraag de EU ingereisd en uit EU-Vis blijkt dat aan eiser een visum is afgegeven door de Noorse autoriteiten dat minder dan zes maanden voorafgaand aan de asielaanvraag is verstreken. In die omstandigheden mocht de minister ervan uitgaan dat het visum eiser daadwerkelijk toegang heeft verschaft tot het grondgebied van een lidstaat in de zin van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Dat eiser op andere wijze dan door middel van het visum de EU is ingereisd is door hem ook op geen enkele wijze onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?

6. Eiser voert aan dat de minister de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. Eiser is van mening dat de omstandigheid dat hij zich reeds in Nederland bevindt en bekend is bij de Nederlandse autoriteiten, zoals de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) en Vluchtelingenwerk, aanleiding had moeten zijn om de behandeling van zijn asielaanvraag aan zich te trekken. Verder had de minister in het kader van de beoordeling moeten meenemen dat hij heeft nagelaten om het claimverzoek onverwijld in te dienen.

Een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van deze verordening. De minister maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid. De minister gebruikt deze bevoegdheid indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het gegeven dat eiser bekend is bij de Nederlandse autoriteiten geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser in Noorwegen ook bekend kan raken met de autoriteiten aldaar. De minister had de door eiser aangevoerde omstandigheid niet zo bijzonder hoeven achten waardoor de minister de aanvraag aan zich had moeten trekken. Verder is niet gebleken van medische problemen of andere bijzondere omstandigheden. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister het claimverzoek tijdig heeft ingediend, namelijk binnen drie maanden nadat eiser zijn asielaanvraag heeft ingediend. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te concluderen dat de minister heeft nagelaten om onverwijld te handelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van

mr. B. Göbel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W. Loof

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?