RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige van 15 december 2025 kamer in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35316
(gemachtigde: mr. E. Maalsen),
en
(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft, gelet op de loopbrief, op 4 januari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2025 op zitting behandeld samen met zaak NL25.35317. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser, zijn moeder, zijn zusjes en broertje ervoeren in Irak veel huiselijk geweld en psychologische mishandeling door hun vader. Op enig moment heeft de moeder van eiser zijn vader om het leven gebracht. Eiser heeft hiervoor zes maanden in detentie gezeten waar hij ook is mishandeld. Zijn moeder en broertje zijn veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen. Hierna is eiser door zijn ooms streng gecontroleerd. Een van de ooms heeft hem te kennen gegeven dat hij beter het land kon verlaten en heeft hem daarbij geholpen. Eiser vreest in Irak geen leven meer te hebben omdat hij in de ogen van zijn omgeving gezichtsverlies heeft geleden, omdat men van hem denkt dat hij bij de dood van zijn vader was betrokken. Ook vreest hij dat deze situatie het hem onmogelijk maakt om nog in (het Koerdische deel) van Irak te leven.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat beide asielmotieven geloofwaardig zijn maar dat door eiser gestelde vrees bij terugkeer naar Irak niet aannemelijk is. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen, omdat zijn asielreleaas ondanks de geloofwaardigheid daarvan niet leidt tot een reëel risico op ernstige schade of tot vluchtelingschap zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.
Loopt eiser bij terugkeer naar Irak een reëel risico op ernstige schade?
5. Eiser betoogt dat de minister het relaas van eiser weliswaar geloofwaardig heeft bevonden, maar aan de gebeurtenissen niet de juiste waarde heeft toegekend en daarom ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op ernstige schade. Zo miskent de minister volgens eiser de omstandigheid dat de relatie tussen eiser en zijn familie de laatste jaren zou zijn geneutraliseerd. Eiser wijst erop dat hij hoe dan ook geen leven meer heeft in Irak, omdat hij niet meer bij zijn familie terecht kan. De ooms van eiser hebben hem naar eigen zeggen willen afscheiden van de buitenwereld vanwege de schande van de moord op zijn vader. Dat een van de ooms eiser in zijn huis liet wonen, moet dan ook in deze context worden gezien.
Eiser betoogt voorts dat de minister miskent dat eisers vertrek uit Irak niet vrijwillig was. Het is gebeurd op initiatief van zijn ooms, welke hem daarbij ook hebben geholpen. Daarbij miskent de minister ook dat eiser niet om hulp kon vragen van de autoriteiten. Hij kon naar eigen zeggen het huis niet verlaten en was niet in staat om zonder toestemming van zijn ooms beslissingen te nemen. Nu de minister het asielrelaas geloofwaardig vindt, mag hij eiser naar eigen zeggen ook niet tegenwerpen dat hij niet met documenten heeft aangetoond dat hij geen hulp heeft kunnen inschakelen van de Iraakse autoriteiten.
Met het standpunt dat eiser zelfstandig zou kunnen gaan wonen na terugkeer naar Irak gaat de minister volgens eiser zonder enige motivering voorbij aan zijn geloofwaardig geachte verklaringen dat zijn identiteitskaart is afgenomen en hij een machtiging heeft afgenomen dat hij zonder zijn ooms geen beslissingen kan nemen maar bijvoorbeeld ook geen financiële afspraken kan maken zoals het aangaan van een huurovereenkomst. Daarbij loopt hij naar eigen zeggen ook een risico op geweld. Dat dit in het verleden niet vaak heeft plaatsgevonden, heeft ermee te maken dat eiser binnen werden gehouden en deed wat zijn ooms zeiden. Dit zal volgens eiser anders zijn na zijn terugkeer. Verder werpt de minister eiser naar eigen zeggen ten onrechte tegen dat hij heeft verklaard bang te zijn dat zijn ooms de gemeenschap zouden informeren, omdat dit niet in hun eigen belang zou zijn. Eiser heeft daarmee naar eigen zeggen slechts bedoeld dat zij hem in een negatief daglicht zouden kunnen zetten.
Eiser betoogt verder dat het zonder identiteitskaart voor hem onmogelijk zal zijn om nieuwe documenten op te vragen of om een leven op te kunnen bouwen in Irak. Eiser verwijst naar een passage in het Algemeen Ambtsbericht Irak van 2023 (AAB 2023).
Verder werpt de minister eiser naar eigen zeggen ten onrechte tegen dat hij financiële motieven zou hebben om Irak te verlaten. Eiser wijst erop dat hij volledig afhankelijk was van zijn ooms. Hij heeft zelfs zijn identiteitsdocumenten af moeten geven. Op het moment dat zijn ooms hebben besloten dat eiser het land moest verlaten, heeft hij deze mogelijkheid daarom met beide handen aangegrepen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Het betoog van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft van zijn ooms of dat hij bij terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op ernstige schade. Hoewel het asielrelaas van eiser door de minister geloofwaardig is bevonden, en daaruit volgt dat eiser een moeilijk en streng gecontroleerd leven achter de rug heeft, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer in een situatie terechtkomt die in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.
De minister mag eiser tegenwerpen dat hij bij zijn oom gewoond en gewerkt heeft en dat een van eisers ooms hem heeft geholpen het land te verlaten. De mishandeling heeft daarnaast al in 2016 plaatsgevonden en eiser is sindsdien niet nogmaals mishandeld. Eiser heeft na de moord bovendien nog vijf jaar bij zijn oma en oom gewoond zonder dat er iets is gebeurd. Eiser geeft ten aanzien van verschillende ooms aan dat hij daar geen contact meer mee heeft sinds vertrek uit Irak en dat het laatste contact met deze ooms ‘gewoon’ ging, of niets bijzonders inhield. Met één oom heeft eiser naar eigen zeggen eenmaal per jaar contact. De minister heeft uit de verklaringen van eiser mogen afleiden dat het contact met zijn ooms in de jaren na zijn vlucht in ieder geval is genormaliseerd en dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat zijn ooms het op hem hebben voorzien, maar hoogstens dat zij geen contact meer met hem willen. Verder geeft eiser zelf aan dat een contactverbod met zijn zusjes een mogelijk gevolg kan zijn van zijn terugkeer, maar verklaart hij niet dat hij vreest voor iets anders, zoals gevaar voor lijf en leden. De rechtbank volgt daarom niet het betoog van eiser dat sprake was van fysieke mishandelingen na de mishandeling in 2016. De rechtbank volgt ook niet het betoog van eiser dat gedurende de tijd die hij bij zijn oma verbleef fysieke mishandelingen onderging door zijn ooms, nu dit niet volgt uit de verklaringen van eiser over zijn ooms. Eiser verklaart daarover in het nader gehoor immers zelf dat hij na 2016 slechts één keer is mishandeld.
Ook werpt de minister eiser niet ten onrechte tegen dat hij na zijn vrijlating in 2014 geen problemen meer heeft ondervonden van de Irakese autoriteiten of van zijn familie. De minister werpt eiser verder terecht tegen dat hij heeft verklaard dat een gebrek aan geld mede reden voor hem is geweest om te vluchten. De minister heeft eiser verder mogen tegenwerpen dat uit zijn verklaringen blijkt dat eiser een machtiging aan zijn oom heeft gegeven zodat hij het huis van eisers vader kon verkopen en daarmee zijn reis kon regelen en dat nergens uit blijkt dat eiser deze machtiging onder dwang heeft afgegeven. De rechtbank volgt dan ook niet het betoog van eiser dat het verkopen van zijn huis en zijn vertrek uit Irak onder dwang zouden zijn gebeurd. Dat blijkt niet uit zijn verklaringen. Dat een en ander wellicht op initiatief van een van zijn ooms is gebeurd, maakt dat niet anders. De minister volgt verder niet ten onrechte niet het betoog van eiser dat hij niks uit de verkoop heeft ontvangen omdat eiser in het nader gehoor zelf heeft verklaard dat de verkoopgelden waren bedoeld om zijn reis te bekostigen. Dat eiser naar eigen zeggen niet de tijd heeft gehad om te antwoorden volgt de rechtbank niet, nu uit de correcties en aanvullingen op het nader gehoor door eiser niets is vermeld over de gedwongen verkoop van zijn huis of over wat er anders met het geld zou zijn gebeurd. Eiser heeft niet toegelicht waarom hij pas in beroep met deze aanvulling is gekomen.
De minister mag eiser gezien voorgaande tegenwerpen dat uit eisers verklaringen volgt dat hoofdzakelijk financiële motieven een rol hebben gespeeld bij zijn keuze om te vertrekken. De minister heeft hem in dit verband mogen tegenwerpen dat hij zoals gezegd vijf jaar de tijd had om te vertrekken, maar dit pas heeft gedaan nadat hij zijn huis kon laten verkopen door zijn oom. De minister heeft daaruit kunnen afleiden dat de noodzaak om te vluchten voor eiser kennelijk niet dermate hoog was dat hij dat niet eerder heeft gedaan.
De minister mag verder, anders dan eiser betoogt, wel degelijk in zijn nadeel meewegen dat nergens uit blijkt dat eiser zeer moeilijk hulp zou kunnen vragen bij de Iraakse autoriteiten, of dat dit voor hem onmogelijk zou zijn. De minister werpt eiser niet ten onrechte tegen dat uit eisers verklaringen volgt dat er naar aanleiding van de moord op zijn vader wel aangifte is gedaan. Eiser stelt, maar motiveert niet waarom dit anders zou zijn als hem iets zou worden aangedaan. Hoewel eiser verklaart dat het een politieke kwestie wordt en zijn ooms dan het proces zouden beïnvloeden, blijft het bij aannames. De verwijzing van eiser naar het AAB 2023 maakt dit niet anders, nu daaruit niet meer volgt dan dat familieproblemen vaak in de praktijk niet worden opgelost door middel van de juridische weg. Daaruit volgt niet dat dit niet mogelijk zou zijn.
De minister mag aan zijn standpunt ten grondslag leggen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich niet ergens anders in Irak zou kunnen vestigen waar hij geen last heeft van zijn ooms. De minister mag van eiser verwachten dat hij, als zelfstandige jonge man, bij terugkeer naar Irak zijn leven zelfstandig kan vormgeven, zonder dat hij weer bij zijn oom of andere familieleden zou moeten wonen. De minister heeft daarom voorbij mogen gaan aan het betoog van eiser dat hij bij terugkeer weer zal worden geconfronteerd met zijn ooms en dat als hij elders zou proberen te gaan wonen, zijn leven door deze ooms onmogelijk gemaakt zou worden. De minister volgt verder terecht niet het betoog van eiser dat hij zonder documenten niet elders kan wonen in Irak. De minister wijst er in dat kader op dat eiser met zijn paspoort door Duitsland is gereisd. Hij is zijn paspoort naar eigen zeggen kwijtgeraakt toen de politie dat van hem afnam. Nergens blijkt uit dat eiser een poging heeft ondernomen om dat paspoort terug te krijgen. Verder heeft eiser ook niet onderbouwd dat het voor hem niet mogelijk zou zijn om, bijvoorbeeld met dat paspoort, in Irak andere documenten te verkrijgen. De verwijzing van eiser naar een passage van het AAB 2023 gaat niet op, nu daaruit slechts volgt dat mensen in Irak zonder identiteitsbewijs beperkte bewegingsvrijheid hebben en beperkte toegang hebben tot basisvoorzieningen.
Dat eiser bij terugkeer naar eigen zeggen zijn mond niet meer wil houden en wil vertellen wat er is gebeurd, vindt de minister niet ten onrechte ongerijmd met zijn eigen verklaringen waarin hij aangeeft dat hij gezichtsverlies lijdt als anderen te weten komen wat er daadwerkelijk is gebeurd. Dat sprake zou zijn van invloedrijke contacten van zijn ooms heeft eiser in het geheel niet onderbouwd. De minister wijst er bovendien niet ten onrechte op dat niet is in te zien dat de ooms van eiser een aanklacht zullen indienen, omdat zij daarmee alleen zelf gezichtsverlies zouden leiden, terwijl zij dit nu juist wilden voorkomen. Dat mogelijk sprake is van verstoting, is niet voldoende voor internationale bescherming. Daarmee is nog geen sprake van vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid aanheft en onder b van de Vw 2000.
Met het oog op voorgaande volgt de rechtbank niet eisers betoog dat hij streng is gecontroleerd door zijn ooms, en dat hij feitelijk gedwongen en onbetaald werkte in de supermarkt. De minister heeft zich immers niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet volgt dat eiser na terugkeer naar Irak een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid aanheft en onder b van de Vw 2000. Dat eiser in het verleden mogelijk een moeilijk en streng gecontroleerd leven heeft gehad kan daaraan niet afdoen.
De rechtbank volgt tot slot niet het betoog van eiser dat de minister bij de beoordeling geen onderscheid heeft gemaakt tussen de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 genoemde asielgronden. Uit het voornemen, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, blijkt dat eisers asielrelaas door de minister is getoetst en is expliciet het standpunt ingenomen dat eiser op geen van beide gronden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning.
7. Gezien het oordeel van de rechtbank heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod mogen opleggen.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.