RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.30157
[eiser 1] en [eiser 2], v-nummers [nummer 1] en [nummer 2], eisers [referent], referent
(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),
en
(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers om gezinshereniging. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van hun aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand kunnen blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Namens eisers zijn door referent (hun gestelde vader) op 19 augustus 2022 aanvragen ingediend voor verblijf als familie- of gezinslid bij hem. De minister heeft deze aanvragen met het besluit van 3 november 2023 afgewezen.
Op 30 juli 2024 is door eisers een beroep ingediend wegens het niet tijdig beslissen op het door hen ingediende bezwaarschrift.
Met de bestreden besluiten van 18 november 2024 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Het beroep richt zich mede tegen de bestreden besluiten.
Eisers hebben nadere beroepsgronden ingediend. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van referent en eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid van het beroep
3. De minister heeft in het bestreden besluit op naam van [eiser 2] een beslissing genomen over de dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag.
De rechtbank is niet gebleken dat eisers nog een belang hebben bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk.
Toelichting op de aanvragen
4. Eisers zijn broers van Eritrese nationaliteit. Hun gestelde vader heeft een verblijfsrecht in Nederland. Hij heeft eerder zijn echtgenote en hun zeven kinderen naar Nederland laten overkomen. Ook namens eisers zijn eerder een aanvragen ingediend, maar deze procedures hebben niet geleid tot verblijf van eisers in Nederland. Eisers willen graag verblijven bij hun gestelde vader in Nederland. De moeder van eisers, die ook nog in Eritrea verblijft heeft toestemming gegeven voor hun vertrek.
De besluitvorming
5. De minister heeft de aanvragen van eisers afgewezen omdat de minister zich op het standpunt stelt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat referent daadwerkelijk hun vader is. Ook vindt de minister dat aan eisers niet het voordeel van de twijfel moet worden gegund over hun gestelde familierechtelijke band met referent, omdat niet is gebleken dat referent of de moeder van eisers alles heeft gedaan wat van hen verwacht had mogen worden om relevante documenten te verkrijgen. De minister vindt daarom dat, als eisers toch hun gestelde familierechtelijke band met referent aannemelijk willen maken, zij op eigen initiatief een DNA-test zullen moeten afleggen en dat de minister daartoe niet kan worden verplicht.
Hebben eisers aannemelijk gemaakt dat er tussen hen en referent een familierechtelijke relatie bestaat?
6. Eisers betogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de familierechtelijke band tussen hen en referent niet voldoende aannemelijk is. Zij betogen dat de minister ten onrechte veel te weinig waarde heeft gehecht aan het door hen overgelegde doopcertificaat. De minister werpt eisers naar eigen zeggen ten onrechte tegen dat het doopcertificaat niet is gelegaliseerd. Het overgelegde doopcertificaat is volgens eisers afkomstig van de bevoegde kerkelijke autoriteiten in Eritrea en kan niet worden gelegaliseerd. Verder miskent de minister volgens eisers dat de achternaam van referent en zijn kinderen op meerdere documenten overeenkomt en dat er ook een vaccinatieboekje en schoolrapporten zijn overgelegd waarop hun gezamenlijke achternaam staat. Ook hebben eisers foto’s overgelegd waarop zij staan afgebeeld. Deze zaken zijn volgens eisers ten onrechte niet in onderlinge samenhang en verband bezien en hadden moeten leiden tot aannemelijkheid van de familierechtelijke band tussen eisers en referent.
Verder volgt volgens eisers uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over Eritrese gezinsherenigingszaken dat de minister eisers niet mag tegenwerpen dat zij geen geboorteaktes hebben overgelegd. Eisers wijzen erop dat zij nooit over een geboorteakte hebben beschikt. Uit deze uitspraken volgt volgens eisers dat de minister niet alle documenten die zij hebben overgelegd in onderlinge samenhang bij zijn beoordeling heeft betrokken en dat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met wat er uit de diverse Algemeen Ambtsberichten (AAB) volgt over de beschikbaarheid van Eritrese documenten.
De minister had volgens eisers verder expliciet in de besluitvorming moeten betrekken waarom aan hen niet het voordeel van de twijfel is gegeven. Zeker in geval van minderjarigheid moet de minister volgens eisers bij die overweging ook rekening houden met het belang van het kind. Eisers wijzen ter ondersteuning van dit betoog op passages uit het AAB Eritrea, versies 2020, 2022 en 2023. Dat de geboorte van eisers alsnog zou kunnen worden geregistreerd betekent volgens eisers niet dat de minister hen mag tegenwerpen dat zij geen geboorteakte hebben overgelegd.
Eisers betogen dat wel degelijk navraag is gedaan bij hun moeder en dat zij aangeeft dat er geen nadere documenten beschikbaar zijn. Van een registratie in het bevolkingsregister is geen sprake en de geboorten van eisers kunnen ook niet meer worden aangegeven, omdat daarvoor een identificatiebewijs van referent nodig is. De minister kan van referent niet verwachten dat hij contact opneemt met de Eritrese autoriteiten gezien de grote risico’s voor repercussies voor eisers en hun moeder. Daarbij benadrukken eisers dat het hier gaat om buitenechtelijke kinderen. Referent wijst erop dat hij dit na de hoorzitting naar eigen zeggen aan de IND heeft doorgegeven. Volgens eisers komt deze constatering overeen met de door hen aangehaalde landeninformatie.
Verder is volgens eisers een DNA-test in Eritrea niet mogelijk, en kan het van hen niet worden verwacht dat zij illegaal uitreizen om in een ander land een DNA-test te doen.
Het juridisch kader
7. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling 26 januari 2022 is het beleid van de minister gewijzigd en is een nieuwe werkinstructie verschenen. Op grond van het gewijzigde beleid, zoals thans neergelegd in paragraaf C2/4.1.2 van de Vc 2000 en Werkinstructie 2022/7, beoordeelt de minister op basis van de overgelegde documenten en/of afgelegde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, of de identiteit en de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent aannemelijk zijn gemaakt. Naar gelang de uitkomst van deze integrale beoordeling wordt overgegaan tot een inwilliging, een afwijzing of een nader onderzoek.
Bij de integrale beoordeling betrekt de minister:
De hoeveelheid en bewijswaarde van de overgelegde documenten en de inspanning die de referent en/of het gezinslid heeft geleverd om de aanvraag te onderbouwen;
De aannemelijkheid en de samenhang van de verklaringen van de referent en/of het gezinslid voor het ontbreken van relevante documenten;
De leeftijd en het geslacht van de referent en het gezinslid;
De omstandigheden waarin de referent en het gezinslid verkeren;
De omstandigheden en de administratieve praktijk in het land van herkomst; en
Eventuele contra-indicaties.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank stelt allereerst vast dat het juridische toetsingskader zoals onder 7. is uiteengezet pas in beroep door de minister expliciet is genoemd. Verder geeft de minister in zijn verweerschrift een aanvullende motivering, die op punten afwijkt van de motivering die de minister in de besluitvorming heeft gegeven. Zo werpt de minister eisers in beroep tegen dat zij uit stedelijk gebied (Barentu) afkomstig zijn en dat daar door eisers blijkens het AAB Eritrea, versie 2023 makkelijker een residence kaart te krijgen zou moeten zijn. Verder werpt de minister eisers tegen dat referent tijdens de ambtelijke hoorzitting heeft vermeld dat hij over een bewonerspas zou beschikken en dat hij een uitdraai uit het bevolkingsregister zou opsturen en dat hij dat niet heeft gedaan. In het kader van de overweging of aan eisers het voordeel van de twijfel moet worden gegund voegt de minister in beroep ten opzichte van de bestreden besluiten nog toe dat eisers naar eigen zeggen zijn geboren uit een buitenechtelijke relatie en dat zij nooit in gezinsverband met referent hebben samengewoond. Daarbij benadrukt de minister dat referent er in een eerdere gezinsherenigingsprocedure voor heeft gekozen om zijn echtgenote en hun zeven kinderen naar Nederland te laten overkomen maar dat hij vervolgens drie jaar na de overkomst van zijn gezin heeft gewacht met de aanvragen van eisers, en dat hij dus ruimschoots in de gelegenheid moet zijn geweest om bewijs te verzamelen over hun gestelde familierechtelijke relatie. De rechtbank leest deze nadere motivering in het kader van het nieuwe beleid zoals dat volgt uit C2/4.1.2 van de Vc 2000 en Wi 2022/7. Daaruit volgt dat de minister het kennelijk niet nodig heeft gevonden om deze nadere motivering te geven onder het oude beleid. Daarmee is sprake van een motiveringsgebrek in de bestreden besluiten en is het beroep gegrond. Toch kunnen de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand blijven. Dit legt de rechtbank hierna uit.
De familierechtelijke relatie
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eisers de familierechtelijke relatie met referent niet aannemelijk hebben gemaakt. Het doopcertificaat en het gezondheidsboekje dat eisers in een vorige procedure hebben overgelegd en de schoolkaart en de twee schoolrapporten die eisers in bezwaar hebben overgelegd zijn voor het aannemelijk maken van een familierechtelijke relatie onvoldoende. Dat de naam van referent overeenkomt met de naam van eisers op enkele van deze documenten is onvoldoende, omdat daaruit nog niet blijkt dat er een gezinsband is tussen eisers en referent. Ook de foto’s van eisers samen zijn onvoldoende, omdat daaruit evenmin blijkt dat zij familie zijn van referent. De minister wijst er terecht op dat het doopcertificaat niet is gelegaliseerd en dat dit document hoe dan ook niet op echtheid kan worden gecontroleerd, zodat de minister daaraan slechts beperkte waarde heeft mogen hechten. Ook is niet duidelijk welke brondocumenten aan deze doopakte ten grondslag liggen. Het betoog van eisers dat de akte is afgegeven door de officiële kerkelijke autoriteiten maakt dat niet anders. Verder hebben eisers geen documenten overgelegd die zien op de familierelatie tussen hen en referent. Eisers hebben bijvoorbeeld geen geboorteregistratie-bewijs overgelegd. Dat de geboorte van eisers zoals gebruikelijk niet zou zijn geregistreerd, hoewel dat in Eritrea verplicht is, doet er niet aan af dat die geboorte alsnog zou kunnen worden geregistreerd. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat dat niet het geval zou zijn. De enkele stelling dat dit onmogelijk zou zijn is niet voldoende. Niet is gebleken dat de moeder van eisers, die nog in Eritrea verblijft, daartoe een poging heeft ondernomen. De minister heeft, anders dan eisers betogen, hen niet tegengeworpen dat zij geen geboorteakten hebben overgelegd.
Had de minister eisers het voordeel van de twijfel moeten kunnen?
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan eisers niet het voordeel van de twijfel hoeft te worden gegund met betrekking tot eisers gestelde familierechtelijke relatie met referent. De minister heeft aan dit standpunt ten grondslag mogen leggen dat uit de besluitvorming niet volgt dat eisers alles hebben gedaan wat van hen verwacht had mogen worden om de nodige documenten boven water te krijgen. Eisers hebben bijvoorbeeld geen familieregistratiebewijs (bewonerspas of residence card) van henzelf overgelegd waaruit mogelijk de gestelde familierelatie tussen hen en referent zou kunnen blijken. Zij hebben wel een residence card van hun moeder overgelegd, maar daaruit volgt niet wie hun vader is. Omdat eisers en hun moeder uit stedelijk gebied komen, moet het overleggen van een residence card van eisers volgens de minister mogelijk zijn. In dit verband wijst de minister terecht op het AAB van december 2023 waaruit dit volgt. Ook blijkt uit het verslag van de ambtelijke hoorzitting dat referent heeft toegezegd te zullen navragen bij de moeder van eisers of eisers staan geregistreerd in het bevolkingsregister en, zo niet, of het mogelijk is de geboorte van eisers alsnog aan te geven. De minister heeft echter geen residence card of een vergelijkbaar document ontvangen waaruit de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent blijkt.
Eisers betogen in beroep weliswaar dat er geen registratie bestaat in het Eritrese bevolkingsregister, maar onderbouwen deze verklaring in het geheel niet. Dit had de minister wel van eisers mogen verlangen, omdat zij en referent nog contact hebben met hun moeder. Als er geen stukken beschikbaar zouden zijn, dan hadden eisers daarvan bijvoorbeeld een schriftelijke verklaring van de autoriteiten kunnen proberen te overleggen. Ook hadden eisers of hun moeder bijvoorbeeld schriftelijke bewijzen kunnen overleggen waaruit blijkt dat zij wel degelijk de moeite hebben gedaan om aan stukken te komen. Daarvan is niet gebleken. De minister heeft eisers daarom mogen tegenwerpen dat niet is gebleken dat zij voldoende inspanningen hebben verricht om de nodige documenten, zoals bewonerspassen of vergelijkbare documenten, te verkrijgen. Dat eisers buitenechtelijke kinderen zijn maakt dit mogelijk lastiger, maar dat ontslaat referent of hun moeder niet van de uit de samenwerkingsverplichting voorvloeiende verwachting dat zij aantonen alles te hebben gedaan wat redelijkerwijze mogelijk is om aan documenten te komen, en om een aannemelijke en goed onderbouwde verklaring te geven voor gevallen waarin dat niet mogelijk is. De verklaring van eisers dat zij buitenechtelijke kinderen zijn, is daarvoor op zichzelf niet voldoende. Ook is daarvoor onvoldoende dat referent in Nederland een verblijfsvergunning heeft, omdat hij is gedeserteerd. Met de verwijzing naar het AAB december 2023 hebben eisers weliswaar aannemelijk gemaakt dat familieleden van deserteurs onder omstandigheden (ernstige) problemen kunnen ondervinden, maar daarmee is niet aannemelijk dat de personalia van de vader van eisers altijd nodig zijn als hun biologische moeder in Eritrea navraag doet naar reeds bestaande, en dus bij de autoriteiten bekende documenten over haar eigen kinderen.
Eisers hebben na de hoorzitting per mail van 2 november 2024 kopieën van een schoolkaart en schoolrapporten overgelegd, maar uit het dossier volgen geen objectieve aanwijzingen dat referent heeft voldaan aan de tijdens de hoorzitting gedane toezegging om navraag te doen bij de moeder van eisers en ook niet of de moeder van eisers vervolgens zelf actie heeft ondernomen om registraties en documenten over eisers boven water te krijgen. Daarbij benadrukt de minister terecht dat referent ruim drie jaar nadat hij asiel heeft gekregen onderhavige aanvraag heeft ingediend en dat hij dus ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om de familierechtelijke relatie in de tussentijd beter te onderbouwen. Hij moet van het belang van documentatie op de hoogte zijn, nu zijn andere kinderen ook in Nederland verblijven en uit Eritrea zijn uitgereisd.
De rechtbank constateert tot slot dat de minister het betoog van eiser dat niet van referent of de moeder van eisers mag worden verwacht dat zij de geboorten alsnog aangeeft niet expliciet heeft weersproken. Dat maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, omdat hoe dan ook niet is gebleken dat de moeder van eisers enige moeite heeft gedaan om documenten met betrekking tot de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent te verkrijgen.
Had de minister van eisers mogen verwachten dat zij zelf een DNA-test afleggen?
De rechtbank is zoals uit voorgaande volgt van oordeel dat de minister eisers terecht niet het voordeel van de twijfel heeft gegund aangaande eisers gestelde familierechtelijke band met referent. Het is daarom aan eisers om, als zij dat nodig vinden, DNA-onderzoek te laten doen om deze band alsnog aannemelijk te maken. De rechtbank volgt niet het betoog van eisers dat zij voor een DNA-onderzoek illegaal zouden moeten uitreizen en dat dit voor twee minderjarige kinderen te gevaarlijk is. Die omstandigheid, los van de vraag of uitreizen inderdaad te gevaarlijk zou zijn, neemt namelijk niet weg dat eisers hun familierechtelijke band met referent niet aannemelijk hebben gemaakt en dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat referent, eisers en hun moeder alles hebben gedaan wat van hen verwacht had mogen worden om deze band wel aannemelijk te maken. Dat eisers naar eigen zeggen niet kunnen uitreizen maakt niet dat de minister ze daarom het voordeel van de twijfel had moeten geven. De rechtbank wijst op het onder 8 e.v. overwogene. De gronden van eisers over het (moeten aanbieden van) DNA-onderzoek slagen daarom niet.
De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat voldoende rekening is gehouden met het belang van eisers als minderjarige kinderen, nu zij bij hun biologische moeder verblijven en hun band met hun moeder groter is dan die met referent. Eisers hebben verder niet concreet gemaakt hoe het belang van het kind anders had moeten worden meegewogen. De verwijzing van eisers naar de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022 kan eisers niet baten. De minister heeft zich immers terecht op het standpunt gesteld dat de familieband tussen eisers en hun gestelde vader niet aannemelijk is gemaakt, en dat bovendien niet is gebleken dat eisers en hun moeder alles hebben gedaan wat van hen kon worden verwacht om de gezinsband tussen eisers en referent aannemelijk te maken, zodat de minister eisers ook geen DNA-onderzoek heeft hoeven aanbieden.
Artikel 8 van het EVRM
Nu de rechtbank van oordeel is dat de minister terecht geen familierechtelijke band heeft aangenomen tussen eisers en referent hoeven de gronden van eisers over het recht op respect voor hun familie- en gezinsleven niet meer te worden besproken. Het standpunt van de minister over de bijkomende elementen van afhankelijkheid en de vraag of de minister eisers daarover had moeten horen worden daarom niet besproken.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het zich richt tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Er is sprake van een motiveringsgebrek; het beroep is daarom voor het overige gegrond en de bestreden besluiten worden daarom in zoverre vernietigd. Gezien het oordeel van de rechtbank onder 8 e.v. blijven de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten echter in stand. Dat betekent dan ook dat de afwijzing aanvraag van eisers in stand blijft.
Omdat het beroep gerond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Die vergoeding bedraagt € 1814,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en de zitting heeft bijgewoond (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). De minister moet eisers ook het door hen betaalde griffierecht vergoeden ter hoogte van € 187.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het zich richt tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar;
- verklaart het beroep voor het overige gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.814;
- bepaalt dat de minister het door eisers betaalde griffierecht ter hoogte van € 187 aan hen moeten vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.