ECLI:NL:RBDHA:2025:24033

ECLI:NL:RBDHA:2025:24033, Rechtbank Den Haag, 10-12-2025, C/09/687027 / HA ZA 25-539

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 19-12-2025
Zaaknummer C/09/687027 / HA ZA 25-539
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Beslaglegger heeft belang bij handhaving van zijn beslag op 1/2 aandeel in gemeenschappelijke woning. Geen misbruik van recht indien beslaglegger beslag op aandeel handhaaft zonder zelf tot executie over te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaaknummer: C/09/687027 / HA ZA 25-539

Vonnis van 10 december 2025

in de zaak van

[eiseres] te [woonplaats 1],

eiseres,

hierna te noemen: ‘[eiseres]’,

advocaat: mr. M.P. Harten,

tegen

[gedaagde] te [woonplaats 2],

gedaagde,

hierna te noemen: ‘[gedaagde]’,

advocaat: mr. T.O. Sohansingh.

1. De procedure

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

de dagvaarding van 2 juni 2025, met producties 1 tot en met 3;

de conclusie van antwoord, met drie producties;

het tussenvonnis van 3 september 2025 waarin een datum voor een mondelinge behandeling is bepaald;

het door [gedaagde] als nadere productie overgelegde arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 september 2025;

de door [eiseres] nader overgelegde productie 4.

Op 30 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen [eiseres] (vergezeld van haar echtgenoot), bijgestaan door mr. Harten voornoemd en namens [gedaagde] mr. Sohansingh voornoemd. Partijen hebben spreekaantekeningen althans pleitnotities voorgedragen en overgelegd, hun standpunten toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2. De feiten

[eiseres] is naar Pakistaans recht gehuwd met [naam] (hierna: [naam]). Zij zijn ieder voor de helft eigenaar van (het recht van erfpacht rechtgevende op het uitsluitend gebruik van) de woning aan de [adres] in [plaats] (‘de woning’).

De woning is belast met een recht van hypotheek ten gunste van Rabobank.

In maart 2019 heeft [gedaagde] conservatoir beslag laten leggen op de woning. [gedaagde] heeft [naam] en [eiseres] betrokken in een procedure bij de rechtbank Den Haag, waarin hij zich op het standpunt heeft gesteld dat hij twee leningen aan hen heeft verstrekt en dat zij uit dien hoofde een bedrag van € 35.000 aan hem moeten terugbetalen.

Bij vonnis van 23 maart 2022 heeft de rechtbank Den Haag [naam] veroordeeld tot terugbetaling aan [gedaagde] van een bedrag van € 32.500, te vermeerderen met rente en kosten. De vordering van [gedaagde] jegens [eiseres] is afgewezen.

[gedaagde] heeft voornoemd vonnis laten betekenen aan [naam] en (over)betekenen aan Rabobank als hypotheekhouder.

Door de uitkomst van het vonnis van 23 maart 2022 is het conservatoir beslag op het aandeel van [naam] in de woning executoriaal geworden. Het beslag van [gedaagde] op het aandeel van [eiseres] in de woning is van rechtswege komen te vervallen.

[eiseres] heeft Rabobank betrokken in een procedure in kort geding bij de rechtbank Amsterdam. Dit geschil heeft betrekking op de vraag of Rabobank als hypotheekhouder mag overgaan tot executoriale verkoop van de woning. Uit het in dat kader gewezen (ambtshalve bij de rechtbank bekende) vonnis in kort geding van 7 september 2023 volgt kort gezegd, dat:

Rabobank op 13 november 2009 leningen heeft verstrekt aan [naam] en [eiseres], van € 213.900 en € 24.100 en een overbruggingsfinanciering van € 50.000. Rabobank heeft een hypotheekrecht op de woning voor een bedrag van € 305.000. [naam] en [eiseres] hebben een pandrecht verstrekt op een ‘Rabobank Opbouwspaarrekening’. Op de leningen zijn de Algemene bankvoorwaarden van toepassing;

Rabobank heeft [naam] en [eiseres] bij brief van 12 mei 2022 bericht dat zij de executie heeft overgenomen en verzocht een regeling te treffen met de beslaglegger;

Rabobank heeft bij brief van 12 mei 2022 aan (de deurwaarder van) [gedaagde] laten weten dat zij de executie heeft overgenomen;

Rabobank heeft bij brief van 13 juli 2022 aan [naam] en [eiseres] bericht dat zij een laatste kans krijgen om een achterstand van € 747,85 te voldoen teneinde te voorkomen dat Rabobank de aan hen verstrekte lening(en) zal opeisen;

de door [gedaagde] ingeschakelde deurwaarder bij e-mailbericht van 7 december 2022 heeft laten weten dat [gedaagde] niet heeft ingestemd met een betalingsregeling voor [naam] en dat hij de executie wenst op te pakken;

Rabobank bij brief van 7 maart 2023 de hypothecaire leningen heeft opgeëist, dat [naam] en [eiseres] de leningen niet hebben afgelost en dat Rabobank vervolgens bij deurwaardersexploot van 26 mei 2023 heeft aangezegd de woning openbaar te zullen verkopen op 19 september 2023.

Bij voornoemd vonnis in kort geding van 7 september 2023 heeft de voorzieningenrechter te Amsterdam geoordeeld dat Rabobank het executierecht toekomt om de woning te verkopen en haar verboden om binnen een periode van zes maanden de al aangezegde woningveiling door te laten gaan, zodat [eiseres] nog een (laatste) kans heeft om een oplossing te vinden.

Bij brief van 1 maart 2024 heeft de deurwaarder van [gedaagde] geschreven dat er van de zijde van [naam] een bedrag van € 27.000 aan (deel)betalingen is ontvangen en dat dit bedrag in mindering is gebracht op de vordering van [gedaagde]. De openstaande vordering bedraagt inmiddels volgens [gedaagde] weer € 18.931,03, inclusief rente en (proces)kosten.

Bij e-mailbericht van 29 april 2025 heeft de advocaat van [naam] en [eiseres] aan (de advocaat van) [gedaagde] voorgesteld om de openstaande vordering af te lossen met betalingen van € 200 per maand, waarbij zij hebben voorgesteld om na zes maanden te bezien of dit bedrag kan worden verhoogd. [gedaagde] heeft dit voorstel niet aanvaard.

[eiseres] is in hoger beroep gegaan van het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter te Amsterdam. Bij arrest van 9 september 2025 heeft het gerechtshof Amsterdam het door [eiseres] gevorderde executieverbod opnieuw beoordeeld en afgewezen, voornoemd vonnis in kort geding bekrachtigd en [eiseres] veroordeeld in de proceskosten van Rabobank. [eiseres] heeft tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld.

3. Het geschil

[eiseres] vordert dat de rechtbank bij voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

voor recht verklaart dat [gedaagde] jegens [eiseres] een onrechtmatige daad pleegt door bij de Rabobank aan te dringen op executoriale verkoop van het onbeslagen aandeel (1/2) van [eiseres] in het recht van erfpacht rechtgevende op het gebruik van de woning;

[gedaagde] beveelt om binnen vijf dagen na het wijzen van dit vonnis zijn instructie aan de Rabobank om het onbeslagen aandeel (1/2) van [eiseres] in het recht van erfpacht rechtgevende op het gebruik van de woning executoriaal te verkopen, in te trekken, op verbeurte van een dwangsom van 500 euro per dag dat [gedaagde] daarmee na het verstrijken van deze termijn in gebreke blijft;

[gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure.

[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar handelt en misbruik maakt van executierecht (art. 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, ‘BW’ en art. 3:13 BW) door bij Rabobank aan te (blijven) dringen op executieverkoop van de woning en door niet zelf over te gaan tot executie van het aandeel van [naam] in de woning. [gedaagde] heeft geen executoriale titel jegens [eiseres] en kan haar aandeel in de woning niet verkopen, maar probeert via een omweg zijn vordering op [naam] te incasseren. [gedaagde] heeft geen redelijk belang bij handhaving van zijn instructie aan Rabobank om de woning te veilen, want er is al € 27.000 op zijn vordering afbetaald en een regeling voorgesteld. Door niet zelf over te gaan tot executie van het aandeel van [naam] in de woning óf het beslag op dat aandeel op te heffen óf gebruik te maken van minder ingrijpende (alternatieve) executiemethodes, oefent [gedaagde] zijn executiebevoegdheden uit voor een ander doel dan waarvoor deze zijn verleend en met geen ander doel dan [eiseres] (en [naam]) te schaden. [eiseres] dreigt hierdoor haar woning te verliezen, aldus nog steeds [eiseres].

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing daarvan, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) rust op [eiseres], die zich op de rechtsgevolgen van artikel 3:13 BW en artikel 6:162 BW beroept, de stelplicht en zo nodig de bewijslast van haar stelling dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar handelt door bij Rabobank aan te dringen op executoriale verkoop van het onbeslagen aandeel van [eiseres] in de woning en/of dat sprake is van misbruik van executierecht. Hierin is [eiseres] niet geslaagd.

Uit het onder 2.10 genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam volgt, samengevat en voor zover hier relevant, dat:

Rabobank, vanwege het executoriale beslag van [gedaagde] op het aandeel van [naam] in de woning, de contractuele bevoegdheid heeft om de geldleningen op te eisen, dit heeft gedaan en dat de opgeëiste leningen niet tijdig zijn terugbetaald;

Rabobank de executie van de beslaglegger heeft overgenomen, nadat het executoriale beslag door de beslaglegger aan Rabobank is betekend (zoals wettelijk voorgeschreven) en dat de bank als gevolg hiervan het recht van executie toekomt;

Rabobank naar het oordeel van het hof geen misbruik maakt van de aan haar toekomende executiebevoegdheid en;

e doorhaling van althans het vervallen van het beslag op het aandeel van [eiseres] in de woning en het gestelde over het Pakistaanse huwelijksvermogensrecht niets afdoen aan het feit dat Rabobank zich kan verhalen op de executieopbrengst van de woning en evenmin maken dat, naar het oordeel van het hof, sprake is van misbruik van recht.

Het gerechtshof Amsterdam heeft verder overwogen dat [eiseres] voldoende tijd heeft gehad om te bezien of er een minnelijke regeling kon worden getroffen tussen [gedaagde] en [naam], de mogelijkheid van herfinanciering te onderzoeken of eventueel over te gaan tot onderhandse verkoop. Het gerechtshof heeft er op gewezen dat de voorzieningenrechter te Den Haag (in een andere procedure tussen [naam] en [eiseres] tegen [gedaagde]) bij vonnis in kort geding van 12 september 2023 heeft geoordeeld dat [gedaagde] belang heeft bij handhaving van zijn beslag op het aandeel van [naam] in de woning en daarbij geen misbruik maakt van zijn recht en dat dit vonnis in kort geding bij arrest in kort geding van 27 februari 2024 is bekrachtigd door het gerechtshof Den Haag.

[eiseres] heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen die aanleiding geven hier thans anders over te oordelen. Hiertoe wordt overwogen als volgt.

Als onweersproken staat vast dat het beslag op het aandeel van [naam] in de woning is gelegd door een beslaglegger, [gedaagde], die beschikt over een in rechte vastgestelde executoriale titel en dat [gedaagde] zich kan verhalen op alle vermogensbestanddelen van [naam]. Dat het beslag op het aandeel van [eiseres] is vervallen, maakt dit niet anders. Rabobank heeft de hypotheekschuld opgeëist, de executie overgenomen en is voornemens de woning te laten veilen. Dat er voor [gedaagde] in geval van veiling van de woning geen enkele opbrengst is te verwachten, is niet gesteld of gebleken. Het tegendeel lijkt bovendien aan de orde, nu uit voornoemd vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter te Amsterdam (zie hiervoor onder 2.7) volgt dat de overwaarde van de woning volgens Rabobank ruim voldoende zal zijn om haar vordering te verhalen en dat daarna een bedrag van ongeveer € 81.000 zal resteren.

[eiseres] verwijt [gedaagde] dat Rabobank door zijn toedoen in beeld is gekomen. Daarmee miskent zij echter dat [gedaagde] op grond van het bepaalde in artikel 508 Rv verplicht was Rabobank als hypotheekhouder te informeren en dat Rabobank ingevolge artikel 509 Rv en artikel 3:268 BW gerechtigd was de executie over te nemen.

[eiseres] onderkent dat Rabobank haar eigen beslissingen neemt, maar wijst erop dat zij denkt dat zij er wel uit kan komen met de bank en dat [gedaagde] dit in de weg staat. Rabobank heeft [eiseres] laten weten dat de bank zelf geen belang heeft bij een veiling van de woning, omdat er geen achterstand is en dat zij de woning ook helemaal niet wil veilen. De bank doet dit slechts omdat [gedaagde] hierop aandringt, aldus [eiseres] ter zitting.

[gedaagde] heeft betwist dat hij bij Rabobank heeft aangedrongen op veiling van de woning. Er is eenmaal overleg geweest vanwege de uitwisseling van stukken en daarbij is het gebleven. [gedaagde] heeft nooit van Rabobank gehoord dat zij niet wil veilen. Indien dit werkelijk zo zal blijken te zijn, zal hij tezijnertijd bezien in hoeverre het aandeel van [naam] in de woning kan worden geëxecuteerd, aldus [gedaagde].

[eiseres] heeft daarmee onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] bij Rabobank aandringt op veiling van de woning. Uit de stukken blijkt niet van enige concrete inhoudelijke bemoeienissen van de zijde van [gedaagde]. Rabobank heeft de executie overgenomen en heeft van [naam] en [eiseres] verlangd dat zij een regeling zouden treffen met [gedaagde], wat zij niet hebben weten te bewerkstelligen. Mede vanwege het beslag op het aandeel van [naam] in de woning en een (weliswaar kleine) betalingsachterstand in de afbetaling van een lening bij Rabobank, is het ertoe gekomen dat Rabobank de leningen heeft opgeëist op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden en de veiling van de woning heeft aangezegd.

Uit de stukken blijkt evenmin dat Rabobank toch niet wil overgaan tot veiling van de woning. Een dergelijk standpunt staat ook lijnrecht tegenover het betoog van Rabobank in de procedure bij het gerechtshof Amsterdam, want daar heeft zij bepleit dat zij belang heeft bij het overnemen van de executie, omdat zij daar dan de regie over heeft, als eerste krijgt uitbetaald uit de veilingopbrengst en al ruim € 11.000 aan executiekosten heeft gemaakt. [eiseres] lijkt zich op dit punt bovendien tegen te spreken, aangezien uit het arrest volgt dat zij in die procedure juist heeft betoogd dat [gedaagde] niet meer aandringt op executie. Uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam valt niet af te leiden dat sprake is van een concrete instructie van [gedaagde] aan het adres van Rabobank om de woning te veilen, zoals [eiseres] heeft verondersteld, nog daargelaten de vraag of Rabobank zich aan een dergelijke instructie iets gelegen zou laten.

Het betoog van [eiseres] dat [gedaagde] gebruik dient te maken van minder ingrijpende of alternatieve (executie)methodes zoals het leggen van beslag op roerende zaken of het starten van een deelgenotengeschil, slaagt niet. [eiseres] heeft niet concreet gemaakt op welke andere methodes zij doelt en heeft dit ook desgevraagd ter zitting niet nader kunnen toelichten. Daarbij is gebleken dat [eiseres] niet bereid is inzichtelijk te maken of er roerende zaken of banktegoeden zijn waarmee de vordering van [gedaagde] kan worden voldaan of om zelf tot verdeling van de woning over te gaan. [eiseres] heeft ook niet tegengesproken dat [gedaagde] zich op een later moment kan verhalen op het aandeel van [naam] in de woning indien Rabobank toch niet overgaat tot veiling. Bovendien: als [naam] over banktegoeden zou beschikken die door [gedaagde] executoriaal beslagen zouden kunnen worden, dan ligt het op de weg van [naam] om daarmee aan de onherroepelijke veroordeling tot betaling te voldoen bij gebreke waarvan hij, en niet [gedaagde], de echtelijke woning in de waagschaal stelt.

Bij deze stand van zaken kan tot geen andere conclusie worden gekomen dan dat [gedaagde] belang heeft bij handhaving van zijn beslag op het aandeel van [naam] in de woning en dat het geen misbruik van recht oplevert indien [gedaagde] zijn beslag op dit aandeel handhaaft zonder zelf tot executie over te gaan.

Nu niet is komen vast te staan dat [gedaagde] bij Rabobank heeft aangedrongen op veiling van de woning of anderszins “oneigenlijke druk heeft uitgeoefend”, zoals [eiseres] heeft gesteld en [gedaagde] heeft betwist, terwijl duidelijk is dat handhaving door [gedaagde] van het beslag op het aandeel van [naam] in de woning geen misbruik van recht oplevert, wordt niet toegekomen aan de vraag of deze beweerdelijke handelingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn jegens [eiseres].

[eiseres] heeft naar voren gebracht dat zij cassatieberoep heeft ingesteld tegen voornoemd arrest van het gerechtshof Amsterdam. Dit maakt het voorgaande echter niet anders. Zowel rechtbank als hof hebben de vorderingen van [eiseres] tegen de Rabobank grotendeels afgewezen. [gedaagde] mag bij zijn beslissing om het beslag te handhaven daar vooralsnog vanuit gaan.

Nu [eiseres] ter zitting heeft opgemerkt dat zij niet begrijpt hoe de restantvordering van [gedaagde] op [naam] weer kan zijn opgelopen tot een bedrag van € 18.931,03, hecht de rechtbank eraan het volgende op te merken.

Met het bedrag van € 27.000 is reeds een aanzienlijk bedrag afbetaald op de hoofdsom inclusief rente en kosten van € 33.600. In beginsel had daarmee een overzichtelijke vordering kunnen resteren als die niet weer was opgelopen vanwege verschuldigd geraakte rente, proces-, executie- en overige kosten. Het staat [eiseres] uiteraard vrij om (al dan niet met [naam]) met bijstand van haar huidige advocaat diverse procedures aan te spannen en/of daarin te verschijnen, maar dit heeft aanzienlijke kosten tot gevolg, kosten waarmee de vordering van [gedaagde] wellicht al had kunnen worden voldaan. Hoewel het aan [eiseres] is om te beoordelen of zij het meest gebaat is bij een route van gerechtelijke procedures boven het vinden van een oplossing voor de situatie met [gedaagde] (waarmee ook de situatie met Rabobank in beginsel had kunnen worden voorkomen), geeft de rechtbank [eiseres] dringend in overweging haar situatie te heroverwegen en zich te richten op een oplossing die erop ziet dat zij haar woning niet (alsnog) zal verliezen. Wellicht is het daarvoor nog niet te laat.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.

Proceskosten

[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [eiseres] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht

90,00

- salaris advocaat

1.228,00

(2 punten × € 614,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.496,00

5. De beslissing

De rechtbank:

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.496,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.

Type: 2513.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?