RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.49923
(gemachtigde: mr. N.A.P. Heesterbeek),
en
(gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak).
Procesverloop
Bij besluit van 6 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de overdrachtstermijn aan Kroatië verlengd tot achttien maanden op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege onderduiken.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich ook laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
3. Op 6 december 2024 heeft de minister het verlengingsbesluit genomen. Tegen dat verlengingsbesluit heeft eiser op 13 december 2024 (tijdig) rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het standpunt van eiser
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de overdrachtstermijn ten onrechte door de minister is verlengd vanwege onderduiken. Hij voert daartoe aan dat het helemaal niet zijn intentie is geweest om onder te duiken of zich aan de overdracht te onttrekken. Op 3 december 2024 kon eiser niet naar het asielzoekerscentrum (AZC) gaan om te ‘stempelen’ omdat toen het beroep in zijn asielzaak bij de rechtbank werd behandeld. Op het moment dat eiser de week daarna naar het AZC ging om te ‘stempelen’, bleek dat zijn plek al was ingenomen door iemand anders. Hij heeft noodgedwongen de opvang verlaten. Er was op dat moment nog geen overdrachtsdatum bekend of een vlucht geboekt. Eiser was de gehele tijd voor zijn gemachtigde bereikbaar. Er is geen sprake geweest van een situatie dat eiser doelbewust buiten het bereik van de autoriteiten zou zijn gebleven. Eiser heeft zich vóór het verstrijken van de overdrachtstermijn op het AZC gemeld. In het bestreden besluit staat ten onrechte ook niet vermeld wat de nieuwe uiterste overdrachtsdatum zou zijn. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat de minister zes weken nodig heeft om een daadwerkelijke overdracht te regelen. De oorspronkelijke uiterste overdrachtsdatum was 17 december 2024 en deze had de minister dus al niet meer kunnen halen. Het oordeel van de rechtbank
5. In artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening is bepaald dat indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen of terug te nemen, komt te vervallen, en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat. Indien de overdracht niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal 18 maanden worden verlengd indien de betrokkene onderduikt. Deze bepaling moet zo worden uitgelegd dat een betrokkene onderduikt wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het doel om deze overdracht te voorkomen. Dat is het geval wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de betrokkene de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, hoewel hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen (vgl. het arrest van het HvJ-EU in de zaak Jawo tegen Duitsland van 19 maart 2019, punt 62 e.v., alsook de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2022).
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de overdrachtstermijn op de juiste wijze heeft verlengd overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege onderduiken. De minister heeft terecht gewezen op de printscreen die als bijlage is gevoegd bij de brief van 11 december 2024, waaruit blijkt dat eiser met ingang van 4 december 2024 staat geregistreerd als met onbekende bestemming vertrokken. Hierbij betrekt de rechtbank dat uit het verweerschrift onweersproken volgt dat eiser na zijn afwezigheid op 3 december 2024 niet direct MOB is gemeld, maar dat hij is uitgeschreven en MOB is gemeld nadat hij ook op 4 december 2024 niet op het azc is aangetroffen. Op 6 december 2024 heeft vervolgens ook de vreemdelingenpolitie geregistreerd dat eiser zelfstandig de woonruimte heeft verlaten. De DT&V heeft dit eveneens op 13 december 2024 vastgesteld en geregistreerd. Eiser is gedurende zijn asielaanvraag gewezen op zijn rechten en plichten en met name op zijn plicht om zich beschikbaar te houden voor de minister op de aangewezen locatie en wijzigingen over zijn verblijfplaats door te geven. Eiser was hiermee bekend, zoals blijkt uit het door eiser ondertekende model M35-H en met de verplichting in algemene zin zoals die voortvloeit uit artikel 4.37 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Eiser heeft zich op 3 december 2024 niet in het AZC gemeld en niet is gebleken dat hij dit daarna alsnog heeft gedaan. Eiser heeft dit slechts gesteld, maar op geen enkele wijze onderbouwd. Eiser heeft met wat hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat hij een geldige reden had voor zijn afwezigheid en niet de intentie had om onder te duiken. Dat er een zitting bij de rechtbank was, is geen geldige reden, omdat eiser dit had kunnen melden bij het COA. Dit heeft eiser niet gedaan. Bovendien is dit geen uitleg voor zijn afwezigheid later op die dag en in de dagen erna. Nu eiser zich niet heeft gemeld, heeft hij zich niet beschikbaar gehouden voor de minister. De minister mocht op basis van de MOB-melding aannemen dat eiser is ondergedoken. Dat alles betekent dat de minister de overdrachtstermijn heeft mogen verlengen. De omstandigheid dat eiser zich later na de MOB-melding en na het verlengingsbesluit weer opnieuw zou melden, maakt nog niet dat de minister niet van de bevoegdheid tot verlenging van de overdrachtstermijn gebruik heeft mogen maken. Dat eiser op 9 december 2024 en 13 december 2024 via de mail contact heeft gezocht met het COA leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Dat er nog geen vlucht geboekt was of een concrete overdrachtsdatum bekend was, leidt ook niet tot een ander oordeel, al omdat door eisers MOB-melding de lopende vertrekprocedure is beëindigd. De beroepsgronden slagen niet.Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.BeslissingDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, rechter, in aanwezigheid van K. Postema, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.