vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummers: NL:TZ:2503059:R-RK & NL:TZ:2503060:R-RK
vonnis op grond van artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet van 12 december 2025
[verzoeker] ,
wonende te [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] ,
hierna: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. J. Pearson van JAW Advocaten,
tegen
de stichting Stichting DUWO,
gevestigd en kantoorhoudende te Delft,
hierna: verweerster,
gemachtigde: Bazuin & Partners Gerechtsdeurwaarders Incasso en Juridisch Advies.
Waar deze zaak over gaat
Op 27 november 2025 wilde verweerster de woning van [verzoeker] ontruimen. De heer
Issa heeft de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening uit te spreken, waarbij
ontruiming voor zes maanden wordt verboden. De rechtbank wijst het verzoek af en legt hierna
uit waarom zij zo beslist. Eerst volgt informatie over het verloop van de procedure tot nu toe.
1. De procedure
Op 25 november 2025 heeft [verzoeker] gevraagd om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287b lid 1 van de Faillissementswet (Fw). Daarbij heeft [verzoeker] ook een WSNP-verzoek ingediend.
Het verzoek houdt in dat verweerster wordt verboden om de woning aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats] te ontruimen. [verzoeker] huurt deze woning van verweerster. De ontruiming stond gepland op 27 november 2025.
De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 26 november 2025 verweerster verboden
de woning te ontruimen totdat op het verzoek van [verzoeker] een eindbeslissing
is genomen.
Het verzoek tot het afgeven van de voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 10 december 2025. Op deze zitting verschenen:
- [verzoeker] , met een tolk en verder bijgestaan door:
- mr. J. Pearson, van JAW Advocaten,
- mevrouw [naam 1] , beschermingsbewindvoerder,
- mevrouw [naam 2] en mevrouw [naam 3] , van de [gemeente] .
en:
- mevrouw [naam 4] , namens Stichting DUWO (verweerster).
2. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of er sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu [verzoeker] een kopie van het vonnis van de rechtbank van 9 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van [verzoeker] en een kopie van het exploot van (laatstelijk) 20 november 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 27 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van de schuldenaar, [verzoeker] , enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van [verzoeker] bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door hem kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 9 oktober 2025 ten uitvoer kan leggen.
De rechtbank wijst de voorlopige voorziening af, omdat in dit geval het belang van verweerster zwaarder weegt dan het belang van [verzoeker] . Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.
Uit de stukken en uit hetgeen op de zitting is besproken, blijkt dat [verzoeker] zich pas kortgeleden – namelijk op 8 november 2025 – tot de schuldhulpverlening heeft gewend. Er is nog geen reëel begin gemaakt met de schuldhulpverlening. Daarnaast is het zo dat [verzoeker] , niet zijnde van Nederlandse nationaliteit, momenteel rechtmatig in Nederland verblijft op basis van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Op de zitting kon vanuit de schuldhulpverlening geen duidelijk antwoord worden gegeven op de vraag, of en in hoeverre deze tijdelijke verblijfsstatus in de weg staat aan het realiseren van een schuldhulpverleningstraject.
De rechtbank stelt verder vast dat [verzoeker] vrijwel meteen vanaf het begin van de huurovereenkomst in februari 2024, geen huur heeft betaald aan verweerster. Daarnaast is gebleken, dat verweerster zich al vanaf april 2024 stelselmatig heeft ingespannen om de door [verzoeker] verschuldigde huur betaald te krijgen. Uiteindelijk is de huurovereenkomst bij vonnis van 9 oktober 2025 ontbonden vanwege een huurachterstand die op dat moment 18 maanden besloeg.
Vanwege genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel, dat aan het
belang van verweerster een zwaarder gewicht toekomt dan aan het belang van
verzoeker. Daarom wijst de rechtbank het op artikel 287b Fw gebaseerde verzoek tot het
geven van een voorlopige voorziening af.
Het WSNP-verzoek
Ten aanzien van het verzoek tot het toepassen van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard, nu de daarvoor benodigde stukken als bedoeld in artikel 285 Fw ontbreken. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit verzoek aan te houden om de stukken te completeren, omdat nog geen begin is gemaakt met het minnelijk schuldsaneringstraject.
3. De beslissing
De rechtbank:
- wijst de verzochte voorlopige voorziening af;
- verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Dit is een beslissing van mr. M. van Nooijen, rechter, in samenwerking met R. Radjkoemar, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.