[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [naam 1]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor het wijzigen van het doel van zijn verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 2 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1966 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij zijn ex-echtgenote, [naam 2]. Deze verblijfsvergunning is bij besluit van 17 mei 2022 met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 24 maart 2022. Eiser heeft geen bezwaar ingediend tegen dit besluit. Het besluit is daarom onherroepelijk geworden. Eiser wil zijn verblijf in Nederland voorzetten en heeft op 23 februari 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’.
4. Verweerder heeft deze aanvraag van eiser afgewezen, omdat de aanvraag tot wijziging niet tijdig is ingediend. De aanvraag is ingediend nadat de verblijfsvergunning van eiser is ingetrokken en deze termijnoverschrijding kan eiser worden toegerekend. Daarnaast heeft eiser niet aangetoond dat er bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard zijn, op grond waarvan het onredelijk zou zijn om van eiser te verlangen dat hij terugkeert naar zijn land van herkomst (Marokko), en eiser heeft niet aangetoond blijvend op verblijf in Nederland aangewezen te zijn. Verweerder is verder van oordeel dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiser om zijn privéleven in Nederland uit te oefenen. De afwijzing van de aanvraag is daarom niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Volgens eiser heeft verweerder een onjuiste belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM gemaakt. Eiser heeft een beschermenswaardig privéleven, omdat hij is geïntegreerd in Nederland en omdat hij geen banden meer heeft met zijn land van herkomst.
Op 14 jarige leeftijd is eiser in het kader van gezinshereniging naar Nederland gekomen en hij heeft sindsdien rechtmatig verblijf gehad in Nederland. In 1996 werd eiser verwijderd naar Marokko. Eiser is geworteld in de Nederlandse samenleving en heeft zich nooit kunnen wortelen in Marokko. Eiser heeft ook rechtmatig verblijf in Nederland gehad toen hij in het kader van gezinshereniging met zijn inmiddels ex-echtgenote naar Nederland mocht komen. Eiser spreekt de Nederlandse taal, heeft langdurig in Nederland verbleven, werkt in Nederland en heeft familie in Nederland. Eiser heeft ook diploma’s en bewijsstukken overgelegd waaruit zijn inburgering in Nederland blijkt. De leeftijd waarop eiser was toen hij in Nederland arriveerde en Nederland verliet, zijn vormende jaren in de ontwikkeling van een kind. Eiser verwijst daarbij naar een rapport over de psychologische schade bij uitzetting van minderjarigen. Het belang van eiser bij inwilliging van zijn aanvraag is groter dan de belangen van de Nederlandse overheid bij de weigering daarvan. Daarnaast heeft de Nederlandse overheid geen economisch belang om verblijf te weigeren, omdat eiser een baan en inkomen heeft en daardoor juist een bijdrage levert aan het economisch welzijn van Nederland. Weigering door verweerder om de verzochte verblijfsvergunning te verlenen levert een schending op van het recht tot eerbiediging van het privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Niet in geschil is dat er in dit geval sprake is van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Het gaat in dit geval om de vraag of verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiser heeft kunnen laten uitvallen.
7. Uit vaste rechtspraak blijkt dat verweerder bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven een ‘fair balance’ moet vinden tussen het belang van de vreemdelingen enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moet hij alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar betrekken.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen concluderen dat het economisch belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan eisers persoonlijke belang op privéleven in Nederland. Verweerder heeft in het nadeel van eiser mogen wegen dat eiser niet meer aan de voorwaarden voor verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij zijn ex-echtgenote voldoet en deze ook is ingetrokken. Ook heeft verweerder aan het feit dat eiser over eigen inkomen beschikt op goede gronden weinig gewicht toegekend, omdat eiser na intrekking van zijn verblijfsvergunning niet mocht werken. De ter zitting ingenomen stelling dat eiser tijdens de afwachting van het beroep wel arbeid mocht verrichten en hij daartoe een sticker met een verblijfsaantekening zou hebben gekregen, is niet onderbouwd.
9. Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden dat hij in Nederland werkt, opleidingen heeft gevolgd en contact heeft met de buren, niet zo bijzonder zijn dat eiser daarom een sterkere binding met Nederland heeft dan met Marokko, waardoor aan hem een verblijfsvergunning moet worden verleend. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser een belangrijk deel van zijn leven in Marokko heeft gewoond. Eiser is in Marokko geboren en heeft daar gewoond tot zijn komst naar Nederland toen hij 14 jaar was. Eiser heeft na zijn vertrek uit Nederland in 1996 (hij was toen 30 jaar) in Marokko verbleven en daar hebben grote levensgebeurtenissen plaatsgevonden, zoals een huwelijk, waaruit 4 kinderen zijn geboren en een scheiding. Met betrekking tot de stelling van eiser dat hij geen familie- en/of gezinsleven heeft in Marokko, wat daar ook van zij, heeft verweerder er op mogen wijzen dat verwacht mag worden dat eiser zich zonder familie of vrienden zelfstandig kan redden dan wel opnieuw vriendschappen kan opbouwen. Hoewel eiser de Nederlandse taal beheerst en dit in zijn voordeel weegt, heeft verweerder kunnen concluderen dat dit in samenhang met de overige omstandigheden onvoldoende is om de balans naar eiser te laten uitslaan.
10. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen in de belangenafweging en zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt.
11. Met betrekking tot het door eiser aangehaalde rapport van Kalverboer en Zijlstra, merkt verweerder op goede gronden op dat dit ziet op psychologische schade bij uitzetting bij minderjarigen tussen de 6 en 18 jaar oud terwijl eiser bij de uitzetting ongeveer 30 jaar oud was. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat de ontwikkelingsrisico’s zoals beschreven in het rapport niet van toepassing zijn op eiser.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder op goede gronden de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ heeft afgewezen.
13. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
14. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep op verzet open.