[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om afgifte van een EU verblijfsdocument en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 juni 2024 afgewezen (hierna: het primaire besluit). Met het bestreden besluit van 21 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. O.F. Aydogan als de waarnemer van de gemachtigde van eiser, T. Buyukasik als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft op 23 november 2023 gevraagd om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER, in verband met verblijf bij zijn partner, mevrouw [naam] (referente). Referente heeft de Bulgaarse nationaliteit.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat alle overgelegde bewijsstukken in samenhang bezien niet aantonen en aannemelijk maken dat eiser en referente zes maanden feitelijk hebben samengewoond en/of gedurende tenminste zes maanden een duurzame relatie hebben onderhouden. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser dan ook niet is aangemerkt als familielid in de zin van artikel 8.7, vierde lid, Vb. Met de afwijzing van de aanvraag is er geen sprake van schending van artikel 8 van het EVRM.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser heeft met meerdere objectieve bewijsstukken onderbouwd dat er sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en referente. Om de relatie te onderbouwen heeft eiser whatsappgesprekken, een relatieverklaring, inkomensgegevens van zichzelf en referente, een huurovereenkomst, tientallen foto’s, een polisblad en verschillende brieven over de BRP-inschrijving overgelegd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een duurzame en exclusieve relatie indien de bewijsstukken in samenhang worden beoordeeld. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij de relatie tussen eiser en referente niet aannemelijk acht. Ook had verweerder eiser moeten horen. Ook heeft verweerder ten onrechte geen belangenafweging gemaakt ten aanzien van artikel 8 EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden tot zijn besluit heeft kunnen komen en zal het beroep ongegrond verklaren. Hierna licht de rechtbank toe hoe zij tot deze conclusie komt.
Duurzame relatie
7. Volgens paragraaf B10/2.2 van de Vc wordt aangenomen dat er sprake is van een duurzame relatie indien eiser en referent voorafgaand aan het moment van de aanvraag of op het moment van beslissen gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijk huishouden voerden en gedurende die termijn feitelijk is samengewoond. In alle gevallen moet het gaan om een bestaande duurzame relatie.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser en referente onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij zes maanden feitelijk hebben samengewoond en/of gedurende tenminste zes maanden een duurzame relatie hebben onderhouden. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn aanvraag (met stukken) te onderbouwen. In de brief van 23 mei 2024 verzoekt verweerder aan eiser om aanvullende stukken toe te sturen die onderbouwen dat eiser al 6 maanden een duurzame relatie heeft en samenwoont met referente. In die brief worden uitgebreid suggesties gedaan van documenten die tot bewijs kunnen dienen. Eiser heeft een groot gedeelte van deze documenten niet overgelegd. De documenten die wel zijn overgelegd zijn onvoldoende om aannemelijk te maken dat eiser en referente een duurzame relatie hebben en samenwonen.
Whatsappberichten
Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat de inhoud van de whatsappberichten niet strookt met hetgeen eiser heeft verklaard en overgelegd over de start van de relatie en samenwoning met referente. Eiser stelt sinds 2 september 2023 een relatie te hebben en samen te wonen met referente. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat uit de overgelegde whatsappberichten die tussen 20 september 2023 en 13 oktober 2023 zijn verstuurd, niet blijkt dat eiser en referente samenwonen omdat zij elkaar daarin een ‘fijne nacht’ wensen. Verweerder heeft eiser ook mogen tegenwerpen dat de vertaling van de berichten uit het begin van de gestelde relatie achterwege is gelaten, terwijl eiser wel de berichten van 13 oktober 2023 tot 3 juni 2024 vertaald heeft overgelegd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat in de overgelegde vertaalde whatsappgesprekken weinig inzicht en diepgang in de relatie wordt gegeven, omdat hierin niet over grote gebeurtenissen, zoals bijvoorbeeld de verhuizing, wordt gesproken.
Huurovereenkomst
Verweerder heeft voorts terecht overwogen dat de overgelegde huurovereenkomst van 3 januari 2024 niet meer van toepassing is op eiser en referente. Referente staat immers met ingang van 26 augustus 2024 op een nieuw adres ingeschreven en eiser is met ingang van 21 oktober 2024 op dat nieuwe adres ingeschreven. Verweerder heeft eiser mogen tegenwerpen dat hij heeft nagelaten een nieuwe huurovereenkomst te overleggen met betrekking tot de nieuwe woning. Daarbij heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat indien wordt uitgegaan van samenwonen vanaf 3 januari 2024, op de datum van het primaire besluit de zes-maanden termijn niet is gehaald.
Inschrijving BRP
Uit het feit dat eiser en referente wel staan ingeschreven op hetzelfde adres in de BRP, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat hiermee de duurzame relatie tussen referent en eiser niet deugdelijk is bewezen. Vrienden en huisgenoten kunnen immers ook op hetzelfde adres ingeschreven staan. Verweerder heeft daarbij terecht betrokken dat onduidelijk is waarom eiser en referente gedurende twee maanden – van 26 augustus 2024 tot en met 21 oktober 2024 – niet stonden ingeschreven op hetzelfde adres. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt mogen stellen dat de verklaring van eiser dat hij zich zonder DigiD niet kon inschrijven op het nieuwe adres onvoldoende is, omdat eiser zich ook op een andere wijze had kunnen inschrijven op het nieuwe adres, bijvoorbeeld door fysiek langs het gemeenteloket te gaan.
Relatieverklaring
Verweerder heeft daarnaast terecht geen waarde gehecht aan de door eiser en referente zelf ingevulde informatie op de relatieverklaring, omdat de daarin ingenomen stelling dat eiser en referente sinds 2 september 2023 een relatie hebben en samenwonen, niet strookt met de overgelegde whatsappgesprekken en de BRP-gegevens. Eiser heeft daarbij in beroep erkend dat de BRP-gegevens niet overeenkomen. Bovendien heeft eiser over de periode van 2 september 2023 tot 20 september 2023 helemaal geen stukken zijn overgelegd.
Foto’s
Ook uit de foto’s kan niet worden geconcludeerd dat er sprake is van een duurzame relatie van minimaal zes maanden tussen eiser en referente en/of dat zij minimaal zes maanden feitelijk hebben samengewoond. Verweerder heeft daarbij kunnen stellen dat het niet onredelijk is dat de door eiser zelf overgelegde foto’s dienen te worden onderbouwd met data en omschrijvingen. Dit heeft eiser nagelaten. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat het erop lijkt dat de foto’s op een aantal dagen zijn gemaakt gelet op de kleding op de foto’s.
Poststukken
Over de inkomensgegevens heeft verweerder kunnen stellen dat dit niets zegt over de daadwerkelijke samenwoning en duurzame relatie tussen eiser en referente. Hierop komen verschillende adressen voor bij eiser en referente, wat de gestelde duurzame relatie juist lijkt te ontkrachten. Datzelfde geldt voor het polisblad van de verzekering van eiser, waarop een ander adres staat dan het adres waarop eiser stelt samen te wonen op dat moment. Ook de adressen op de bankafschriften van eiser en referente zijn in dezelfde periode verschillend van elkaar. Daarbij heeft verweerder kunnen overwegen dat het gebruiken van de betaalpassen in dezelfde woonomgeving, niets zegt over het onderhouden van een duurzame relatie. Temeer nu de adressen op de bankafschriften niet ver van elkaar af liggen.
Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiser en referente niet hebben aangetoond dat er sprake is van een duurzame relatie.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
9. Het beroep van eiser op het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel slaagt niet. Gelet op het voorgaande heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat er geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en referente en heeft in de beoordeling alle kenbare feiten en omstandigheden betrokken.
Voor zover eiser aanvoert dat hij niet wordt geloofd en de stukken door verweerder als frauduleus zijn beoordeeld, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft de gestelde relatie in het primaire besluit een “schijnrelatie” genoemd en in het bestreden besluit aangegeven dat de “oprechte liefdesrelatie” niet is aangetoond. Hoewel de bewoordingen duiden op onzorgvuldigheid, is niet gebleken dat de afweging zelf onzorgvuldig is geweest. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder dit ook verbeterd en aangegeven dat aan eiser en referente wordt tegengeworpen dat niet deugdelijk bewezen is dat er sprake is van een duurzame relatie. Ook heeft verweerder bevestigd dat hoewel de formulering ongelukkig is geweest, hij niet van mening is dat er sprake is van een schijnrelatie.
Artikel 8 van het EVRM
10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM en heeft verweerder geen belangenafweging hoeven maken.
Hoorplicht
11. Van het horen mag worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Naar het oordeel van de rechtbank was daarvan in dit geval sprake. Hiertoe is van belang dat verweerder eiser meerdere malen in de gelegenheid heeft gesteld om relevante bewijsstukken en informatie te overleggen ter onderbouwing van de gestelde duurzame relatie, waaronder in de voorgenoemde herstel verzuimbrief van 23 mei 2024. Van deze gelegenheid heeft eiser onvoldoende gebruik gemaakt. Eiser heeft na die brief aanvullende stukken toegestuurd. Verweerder heeft ter zitting kunnen stellen dat daarmee geen informatie is overgelegd die een ander licht werpt op het bestreden besluit. Gelet hierop mocht verweerder daarom afzien van het horen.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
13. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
14. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.