RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser, geboren op [geboortedatum],van Ethiopische nationaliteit,V-nummer: [nummer],
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42449
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en
(gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser).
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen zijn door de minister vastgestelde meerderjarigheid. Volgens eiser is de minister van een onjuiste geboortedatum uitgegaan en is hij ten onrechte als meerderjarig aangemerkt ten tijde van zijn asielaanvraag.Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij is uitgegaan van de geboortedatum die in Italië is geregistreerd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 6 juli 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 26 augustus 2025 ingewilligd. In hetzelfde besluit heeft de minister vastgesteld dat eiser meerderjarig is en aan hem de geboortedatum 24 maart 2004 toegekend.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit in zoverre de minister tot meerderjarigheid van eiser heeft besloten.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De minister gaat uit van 24 maart 2004 als geboortedatum van eiser en heeft hieraan het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is met voornoemde geboortedatum geregistreerd in Italië en heeft geen plausibele verklaring gegeven voor deze afwijkende leeftijdsregistratie. Daarnaast heeft eiser geen inspanningen verricht om aan identificerende documenten te komen. Verder heeft de leeftijdsschouw tot twijfel geleid en heeft eiser tegenstrijdige verklaringen afgelegd over zijn leeftijd. Procedurele fout
4. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of er door de minister een procedurele fout is gemaakt. De gemachtigde van eiser heeft namelijk aangevoerd dat Eurodac voorafgaand aan de leeftijdsschouw is geraadpleegd en de in Italië geregistreerde geboortedatum op voorhand heeft meegewogen in de leeftijdsschouw. De gemachtigde van eiser verwijst hiervoor naar het verslag van het gehoor bij de AVIM waarin zou zijn verwezen naar de leeftijdsregistratie in Italië. Volgens de minister toont de Eurodac-hit geen geboortedatum. De in Italië geregistreerde geboortedatum bleek pas uit het door de minister verrichte onderzoek ná de leeftijdsschouwen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat hij niet kan uitsluiten dat de geboortedatum in de Eurodac-hit naar voren is gekomen dan wel dat daarna is verder gekeken en dat de leeftijdsregistratie in Italië dus een rol heeft gespeeld bij de beoordeling.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat de Eurodac-hit een geboortedatum toont. De enkele stelling van de gemachtigde van eiser dat niet valt uit te sluiten dat hierna is verder gekeken is onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van een procedurele fout. De rechtbank stelt verder vast dat uit het verslag van het gehoor bij de AVIM niet volgt dat wordt verwezen naar de leeftijdsregistratie in Italië, zodat deze grond evenmin slaagt. Wat vindt eiser?
5. Eiser meent dat de minister ten onrechte is uitgegaan van de leeftijdsregistratie in Italië. Hij wijst hierbij op een uitspraak van de Afdeling waarin is geoordeeld dat de minister niet langer zonder meer mag uitgaan van de juistheid van een in een andere lidstaat van de Europese unie vastgelegde geboortedatum. In Italië heeft eiser een meerderjarige leeftijd opgegeven zodat hij kon doorreizen. Wat betreft de overige door de minister gestelde tegenstrijdige verklaringen voert eiser aan dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard. Leeftijd is in Ethiopië niet zo’n exact begrip als in Europa. Eiser moet vaak terugrekenen naar een bepaalde datum of jaartal. Daarbij komen nog de verschillen tussen de Ethiopische en Westerse kalender. Verder is eiser niet in het bezit van een paspoort, identiteitsbewijs of geboorteakte. Het is onmogelijk om dergelijke documenten alsnog uit Ethiopië te verkrijgen, nu hij amper contact heeft met zijn moeder die daar in een vluchtelingenkamp zit. Bovendien bevindt eiser zich in Nederland en zal hij zich bij de aanvraag van documenten moeten melden in Ethiopië. Volgens eiser blijkt uit de overgelegde kopie van de doopakte dat zijn geboortedatum 2 april 2008 is. Aan dit document dient volgens hem enige bewijskracht toe te komen. De minister had de doopakte moeten meewegen en eiser het voordeel van de twijfel moeten geven wat betreft de minderjarigheid.Wat is het juridisch kader?
6. De Afdeling heeft geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is bij de leeftijdsbeoordeling van vreemdelingen. Dit betekent dat de minister niet in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat van de Europese Unie. Als de minister een afwijkende leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat aantreft, mag hij die wel bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de leeftijd van een vreemdeling betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Wanneer aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat alleen een eigen verklaring van de vreemdeling ten grondslag ligt, zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Daarbij moet de minister ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen betrekken. De minister moet dan uitgaan van de minderjarigheid van eiser en het is aan de minister om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen.Is de minister hierin geslaagd?
7. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister er niet in geslaagd het vermoeden van minderjarigheid voldoende te ontzenuwen. Dit zal hierna worden uitgelegd.
Een medewerker van de AVIM en een medewerker van de IND hebben beiden een leeftijdsschouw gedaan. De AVIM heeft geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is, terwijl de IND bij de schouw concludeert dat eiser evident minderjarig is. Dit leidde tot twijfel aan de door eiser gestelde minderjarigheid. De minister heeft daarom een onderzoek opgestart bij de Italiaanse autoriteiten.
Uit de reactie van de Italiaanse autoriteiten blijkt dat in Italië de geboortedatum
24 maart 2004 is geregistreerd. Ook blijkt hieruit dat er geen leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden en er geen documenten zijn overgelegd door eiser. Uit de reactie van de Italiaanse autoriteiten en de verklaringen van eiser volgt dat aan de leeftijdsregistratie in Italië enkel de verklaringen van eiser ten grondslag liggen. Eiser heeft voor deze afwijkende leeftijdsregistratie als verklaring gegeven dat hij als meerderjarige makkelijker kon doorreizen. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat dit geen plausibele verklaring is, nu er meer minderjarigen zijn die doorreizen vanuit Italië en er voor eiser dus geen noodzaak was om een afwijkende leeftijd door te geven. Daarnaast heeft eiser zelf met behulp van een tolk deze geboortedatum opgegeven en heeft hij later niet geprobeerd deze datum te laten wijzigen.
De rechtbank volgt de minister niet in het standpunt dat eiser geen plausibele verklaring heeft gegeven voor de afwijkende leeftijdsregistratie in Italië. De rechtbank stelt vast dat eiser vanaf het eerste gehoor consistent verklaard heeft dat hij de in Italië geregistreerde datum heeft opgegeven, omdat hij als meerderjarige makkelijker kon doorreizen. Het enkele feit dat er ook minderjarigen zijn die vanuit Italië doorreizen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verklaring van eiser niet plausibel is. De rechtbank acht hierbij van belang dat het een bekend gegeven is dat minderjarigen in Italië problemen kunnen ondervinden wanneer zij willen doorreizen. Dat eiser zelf zijn geboortedatum heeft doorgegeven in Italië en dit niet heeft gewijzigd, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft immers verklaard dat hij wilde doorreizen zodat niet valt in te zien dat van eiser kon worden verwacht dat hij in Italië zijn geboortedatum zou wijzigen. Dat eiser nadien zijn geboortedatum niet heeft gewijzigd, zegt evenmin iets over de vraag of de verklaring van eiser plausibel is. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister de verklaring van eiser over de afwijkende leeftijdsregistratie in Italië ten onrechte als niet plausibel heeft aangemerkt. De rechtbank merkt hierbij eveneens op dat, als de verklaring van eiser plausibel is, de minister met meer bewijs moet komen om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of eiser zijn verdere verklaringen over zijn geboortedatum dusdanig tegenstrijdig zijn dat hiermee voldoende bewijs is geleverd voor het ontzenuwen van de minderjarigheid. Uit de besluitvorming blijkt dat de minister eiser tegenwerpt dat hij op vijf momenten tegenstrijdig heeft verklaard over zijn geboortedatum. De minister merkt hierbij op dat eiser bij binnenkomst in Nederland heeft aangegeven op 24 juli 2007 te zijn geboren. De rechtbank is van oordeel dat aan de hand van de verklaringen van eiser het vermoeden van minderjarigheid onvoldoende ontzenuwd is. Dit zal hierna worden uitgelegd.
Eiser wordt allereerst tegengeworpen dat hij bij de AVIM verklaard zou hebben dat hij 20 jaar oud is. De rechtbank stelt vast dat, voorafgaand aan deze vraag, vragen zijn gesteld over de geboortedatum die eiser in Italië heeft opgegeven. Eiser heeft verklaard dat hij in Italië heeft opgegeven dat hij 20 jaar oud is en heeft uitgelegd waarom. Vervolgens is aan eiser gevraagd of hij 20 jaar oud is, waarop eiser heeft geantwoord met “ja”. Wanneer eiser nogmaals gevraagd wordt of hij nu 20 jaar oud is, antwoordt eiser met “nee” en geeft hij aan dat hij dacht dat het om het doorreizen ging. Gelet op de context van de vraagstelling en het gegeven dat eiser zijn verklaring direct heeft gecorrigeerd is de rechtbank van oordeel dat deze verklaring ten onrechte als tegenstrijdig is tegengeworpen.
Verder wordt eiser tegengeworpen dat hij tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij volgens de Ethiopische kalender is geboren op 24 juli 2000. Wanneer dit wordt omgerekend naar de Westerse kalender komt dit volgens de minister neer op 24 maart 2008 en is dit wederom een andere geboortedatum dan eiser aan het begin van zijn aanmeldproces heeft opgegeven. De rechtbank stelt vast dat eiser aan het begin van zijn aanmeldproces in Nederland een andere geboortedatum heeft opgegeven, te weten 24 juli 2007. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft tegengeworpen dat de opgegeven geboortedatum tijdens het nader gehoor niet overeenkomt met de geboortedatum die eiser tijdens het aanmeldproces heeft opgegeven. De rechtbank stelt echter eveneens vast dat eiser zowel tijdens de leeftijdsschouw bij AVIM als tijdens het nader gehoor heeft verklaard op 24 juli 2000 geboren te zijn. De gemachtigde van de minister heeft ter zitting desgevraagd geen inzicht kunnen verschaffen in de gebruikte rekentool om de geboortedatum om te rekenen van de Ethiopische kalender naar de Westerse kalender. De rechtbank heeft ter zitting aangegeven dat de rechtbank eveneens verschillende rekentools heeft gebruikt om de datum 24 juli 2000 om te rekenen en bij drie van de vier gebruikte rekentools uitkomt op de datum 2 april 2008 volgens de Westerse kalender. De rechtbank acht het voorgaande van belang, omdat de datum 2 april 2008 wel overeenkomt met de geboortedatum die op de overgelegde kopie van de doopakte vermeld staat. De rechtbank betrekt hierbij ook dat uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat de tolk bij het omrekenen van de geboortedatum heeft aangegeven dat de datum 24 juli 2000 neerkomt op maart/april 2008 volgens de Westerse kalender en dat de gebruikte app niet betrouwbaar is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser tijdens het nader gehoor weliswaar tegenstrijdig heeft verklaard ten opzichte van het aanmeldgehoor, maar dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd welk gewicht er toekomt aan deze tegenstrijdige verklaring, in het licht van de overige verklaringen waarin eiser heeft aangegeven op 24 juli 2000 te zijn geboren, de overgelegde kopie van de doopakte en het gegeven dat uit de gebruikte rekentools verschillende geboortedata komt.
De rechtbank merkt tot slot op dat de minister heeft overwogen dat van eiser meer inspanningen hadden mogen worden verwacht om originele identificerende documenten te verkrijgen. De rechtbank overweegt echter dat dit onverlet laat dat de overgelegde kopie van de doopakte niet bijdraagt aan het ontzenuwen van de minderjarigheid.
Het beroep slaagt. Dit betekent dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het vermoeden van minderjarigheid is ontzenuwd.Conclusie en gevolgen
8. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover dat ziet op de vaststelling van eisers leeftijd. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover dat wordt vernietigd, in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van eisers leeftijd en laat het bestreden besluit voor het overige in stand;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Veenstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.