RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58942
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 1 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [datum] 1984 en heeft de Spaanse nationaliteit.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
3. Eiser betwist alle zware gronden. Hiertoe voert hij aan dat hij niet op de hoogte was van de beëindiging van zijn verblijfsrecht en zijn vertrekplicht. Uit de stukken in het dossier blijkt verder niet dat eiser het verwijderingsbesluit heeft ontvangen in een taal die hij begrijpt, zodat aan eiser niet mag worden tegengeworpen dat het verwijderingsbesluit op juiste wijze aan hem is uitgereikt. Verder heeft hij slechts aangegeven liever niet terug te willen naar Spanje, omdat hij in Nederland een vriendin heeft en een leven alhier wil opbouwen met haar.
4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat voor het opleggen van onder meer de zware gronden 3b en 3c alleen is vereist dat deze gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3b en 3c aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Uit het uitreikingsblad van 27 juni 2025 blijkt ondubbelzinnig dat aan eiser het verwijderingsbesluit van 7 februari 2025 is uitgereikt met behulp van een tolk in de Spaanse taal, waarbij het tolkennummer is vermeld. Dat een vinkje ontbreekt op het uitreikingsblad maakt het voorgaande niet anders. Dit maakt dat eiser op de hoogte was van zijn vertrekplicht waar hij zich niet aan heeft gehouden, waarna hij nimmer melding heeft gedaan van zijn onrechtmatig verblijf. Deze zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en voldoende toegelicht om aan te nemen dat sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
5. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 16 december 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.