RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58731
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en
(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [datum] 1995 en heeft de Bulgaarse nationaliteit.
Verwijderingsbesluit
2. Eiser voert aan dat hij het verwijderingsbesluit van 11 september 2025 niet heeft ontvangen, zodat hij niet op de hoogte was van de beëindiging van zijn verblijfsrecht en zijn verplichting tot terugkeer.
3. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 30 november 2025 blijkt dat eiser tijdens het verhoor heeft verklaard dat hij het verwijderingsbesluit van 11 september 2025 op zijn postadres heeft ontvangen en hiervan op de hoogte is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser op de hoogte was van zijn verplichting terug te keren naar Bulgarije. Dat eiser in zijn verhoor aangeeft dat mensen van de overheid tegen hem zouden hebben gezegd dat het een waarschuwing was, heeft verweerder onvoldoende weerlegging kunnen vinden dat eiser niet zou hebben geweten dat hij een vertrekplicht had.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
En als lichte gronden zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
5. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Hiertoe voert hij aan dat hij niet op de hoogte was van zijn terugkeerverplichting en anders zou hij zich hieraan hebben gehouden. Hij is verder altijd beschikbaar gebleven voor de autoriteiten en was altijd in contact met ze. Daarnaast ontving hij een daklozenuitkering.
6. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat voor het opleggen van onder meer de zware gronden 3b en 3c alleen is vereist dat deze gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting op hoeft te geven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware grond 3b en 3c aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Uit rechtsoverweging 3 volgt dat eiser op de hoogte was van zijn verplichting tot terugkeer. Verder heeft hij Nederland niet binnen de gegeven periode van vier weken verlaten, waarna hij nimmer melding heeft gedaan van zijn onrechtmatig verblijf. Deze zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en voldoende toegelicht om aan te nemen dat sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
7. Verder voert eiser aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft namelijk altijd meegewerkt aan zijn verplichtingen.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het onttrekkingsrisico te ondervangen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, voldoende gronden aanwezig zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Daarnaast is eiser eerder in de gelegenheid gesteld om zijn vertrek te organiseren binnen vier weken, maar heeft dit tot op heden niet geleid tot zijn terugkeer. Verder is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is.
Voortvarend handelen
9. Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Eiser is namelijk EU-onderdaan en zijn gegevens zijn bekend bij verweerder, zodat zijn uitzetting reeds had moeten plaatsvinden.
10. Verweerder merkt terecht op dat hij vanaf de oplegging van de maatregel van bewaring verplicht is om voortvarend te handelen. Verweerder heeft op 2 december 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser en is op 3 december 2025 een LP-aanvraag ingediend bij de Bulgaarse autoriteiten. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Dat zijn gegevens dan ook bekend waren bij verweerder leidt niet tot een andere conclusie.
Ambtshalve toets
11. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 16 december 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.