RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59012
in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. K. Ramdhan),
en
Procesverloop
De minister heeft op 29 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 8 december 2025 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. In de uitspraak van 20 oktober 2025 heeft de rechtbank beslist op het eerste beroep en in de uitspraak van 19 november 2025 heeft zij beslist op het tweede beroep. Uit de laatstgenoemde uitspraak volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 17 november 2025).
Geen zitting
3. Hoewel eiser heeft verzocht om op zitting gehoord te worden, heeft de rechtbank aan dat verzoek geen gevolg gegeven. Het horen van eiser is ook niet verplicht, omdat het gaat om een beroep tegen het voortduren van de bewaring. Het horen van eiser is in dit geval ook niet nodig. De rechtbank heeft namelijk op basis van de stukken in het procesdossier al voldoende informatie om een oordeel te kunnen geven over het vervolgberoep.
Zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
4. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt naar Algerije, het land waar hij naartoe moet. Er is nog steeds geen reactie ontvangen op de laissez-passer (lp) aanvraag, terwijl er wel vier keer is gerappelleerd. Daarnaast is het algemeen bekend dat de consulaten en/of ambassades in de maanden december en januari minimaal bezet zijn. Een reactie vanuit de autoriteiten is dus ook niet te verwachten binnen een redelijke termijn. Dit klemt te meer nu eiser ook nog niet is gepresenteerd.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt. Eiser maakt niet aannemelijk waarom zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. De lp-aanvraag is op 3 oktober 2025 ingediend en de minister heeft voor het laatst op 27 november 2025 schriftelijk gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. De autoriteiten hebben hier nog niet op gereageerd, maar dat betekent niet dat er geen lp zal worden verstrekt. De minister moet voorlopig in de gelegenheid worden gesteld om een antwoord af te wachten. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het lp-traject op niets zal uitlopen. Het traject duurt ook nog niet zo lang dat die conclusie op dit moment moet worden getrokken. Bovendien onderbouwt eiser niet dat het lp-traject stil komt te liggen in de maanden december en januari. De enkele stelling dat dit zo is, is onvoldoende. Daar komt bij dat op eiser een vertrekplicht rust. Het is niet gebleken dat eiser aan die verplichting voldoet. Daarbij wijst de rechtbank erop dat in het verslag van het vertrekgesprek op 28 november 2025 staat dat eiser verklaart dat hij ‘niets gaat doen in bewaring’. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Lichter middel
5. Eiser betoogt dat de minister moet volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Daartoe voert eiser aan dat hij vrij jong is en vereenzaamt in het detentiecentrum. Dat blijkt ook uit het vertrekgesprek. De inbewaringstelling is voor hem onevenredig. Ter onderbouwing wijst eiser op een passage uit het rapport van E. Vloeberghs met de titel ‘Vreemdelingendetentie en Gezondheid’ uit 2013.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister hoeft in de (relatief) jonge leeftijd van eiser geen reden te zien om te volstaan met een lichter middel. De rechtbank stelt voorop dat in de uitspraak van 20 oktober 2025 is geoordeeld dat eiser niet met documenten heeft onderbouwd dat hij minderjarig is, waardoor de minister ervan uit mag gaan dat eiser meerderjarig is. Verder begrijpt de rechtbank dat de inbewaringstelling eiser zwaar valt, maar het is niet gebleken dat de inbewaringstelling om die reden onevenredig uitpakt. Wat eiser aanvoert is daarvoor onvoldoende.
Eisers beroep op de passage uit het rapport ‘Vreemdelingendetentie en Gezondheid’ verandert het oordeel niet. De passage gaat over medische klachten bij en van mensen die illegaal in Nederland verblijven. Eiser stelt en onderbouwt niet dat hij kampt met medische klachten. Bovendien is er in het detentiecentrum medische zorg aanwezig. Aangenomen wordt dat deze medische zorg vergelijkbaar is met de zorg in de vrije maatschappij.
Ambtshalve toets
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.