ECLI:NL:RBDHA:2025:24114

ECLI:NL:RBDHA:2025:24114, Rechtbank Den Haag, 16-12-2025, NL24.42286

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-12-2025
Datum publicatie 17-12-2025
Zaaknummer NL24.42286
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Turks associatierecht, Besluit nr. 1/80, mvv-plicht, hoorplicht, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.42286

en

(gemachtigde: mr. drs. M.F. van der Lubbe).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 beschrijft de rechtbank hoe zij eiseres heeft uitgenodigd voor de zitting. Onder 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5.1. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of eiseres aanspraak kan maken op opgebouwde rechten uit Besluit nr. 1/80. Onder 6.1 gaat de rechtbank in op de vraag of de verplichting om over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te beschikken in strijd is met het standstill-beginsel. Of de hoorplicht is geschonden behandelt de rechtbank onder 7.2. Aan het eind onder 8 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Niet-tijdelijke humanitaire gronden’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 29 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Is eiseres op zorgvuldige wijze uitgenodigd?

3. Het beroep van eiseres is op 29 oktober 2024 ingediend door haar toenmalige gemachtigde, mr. I. Özkara. Vervolgens heeft de rechtbank partijen uitgenodigd voor de behandeling van het beroep op de zitting van 26 augustus 2025. Vlak voor de zitting, op 22 augustus 2025, heeft de gemachtigde van eiseres zich onttrokken nadat eiseres kenbaar had gemaakt dat mr. I. Özkara haar gemachtigde niet meer was. Diezelfde dag heeft de rechtbank om de contactgegevens van eiseres verzocht. Op 25 augustus heeft de toenmalige gemachtigde gereageerd en het e-mailadres van eiseres aan de rechtbank verstrekt.

Vanwege de geplande behandeling ter zitting op 26 augustus 2025, heeft de griffier van de rechtbank op 25 augustus 2025 telefonisch contact opgenomen met eiseres. In dit contact kwam naar voren dat eiseres niet op de hoogte was van de behandeling op de zitting en dat zij nog op zoek was naar een nieuwe gemachtigde. De rechtbank heeft gelet daarop diezelfde dag de behandeling van de zaak op zitting aangehouden tot een nader te bepalen datum en partijen hiervan op de hoogte gesteld via een bericht in het digitaal dossier. Ook heeft de rechtbank eiseres via het bekende e-mailadres een brief gezonden met de vraag om binnen twee weken aan te geven of zij de procedure zelf voortzet of dat zij een nieuwe advocaat heeft.

Eiseres heeft niet op die brief gereageerd. De griffier heeft daarom op 19 september 2025 telefonisch contact met eiseres opgenomen om de voortgang van haar procedure te bespreken. Eiseres was toen niet in de gelegenheid om het gesprek te voeren, waarna de griffier eiseres op 22 en 23 september 2025 zonder resultaat opnieuw heeft gebeld. Eiseres heeft daarna geen contact opgenomen met de rechtbank.

Op 9 oktober 2025 heeft de rechtbank eiseres via het digitaal dossier en via haar e-mailadres een brief gezonden met het verzoek om haar huidige adresgegevens aan de rechtbank te verstrekken. Omdat eiseres geen gegevens van een nieuwe gemachtigde heeft verstrekt gaat de rechtbank er namelijk vanuit dat zij de procedure zelf voortzet. Er is verzocht om de adresgegevens zodat de rechtbank het digitale dossier kon omzetten naar een papieren dossier en dit eiseres kon toezenden. In de brief van 9 oktober heeft de rechtbank ook de voorgenomen zittingsdatum gedeeld, namelijk donderdag 6 november 2025. Verder heeft zij eiseres erop gewezen dat als haar reactie op het verstrekken van adresgegevens van haarzelf of de informatie over een eventuele nieuwe gemachtigde uitblijft, de rechtbank de zaak verder zonder haar zal behandelen. Ook is aangekondigd dat bij het ontbreken van tegenbericht over de aangekondigde zittingsdatum, de rechtbank de zaak op die zittingsdatum zal behandelen.

Na het onbeantwoord verstrijken van de termijn heeft de rechtbank eiseres op 23 oktober 2025 via haar e-mailadres een uitnodiging voor de behandeling van haar zaak op de zitting van 6 november 2025 gestuurd. Uit informatie van de administratie van de rechtbank blijkt dat eiseres zowel de brief van 9 oktober 2025 als de e-mail met de uitnodiging voor haar zitting via Zivver heeft geopend.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank daarom vast dat eiseres op een deugdelijke en zorgvuldige wijze is uitgenodigd voor de behandeling van haar zaak op de zitting van 6 november 2025. Dat zij niet ter zitting is verschenen komt daarom voor haar eigen rekening en risico. De rechtbank doet dan ook uitspraak op haar beroep.

Eerdere verblijfsvergunning en huidige aanvraag

4. Aan eiseres is eerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend, onder de beperking ‘Gezinshereniging bij [persoon A]’, de vader van eiseres. Deze verblijfsvergunning was geldig van 28 mei 2009 tot 15 juni 2013 en werd rechtsgeldig voortgezet tot 15 juni 2018. Aan eiseres is op 2 maart 2018 een verblijfsvergunning verleend op niet-tijdelijke humanitaire gronden, geldig van 6 februari 2018 tot 6 februari 2023. Met het besluit van 11 oktober 2021 heeft de minister de verblijfsvergunning van eiseres met terugwerkende kracht per 8 juli 2021 ingetrokken. Dit vanwege de verplaatsing van haar hoofdverblijf. Dat besluit staat in rechte vast.

De minister stelt zich op het standpunt dat, nu de verblijfsvergunning van eiseres is ingetrokken vanwege verplaatsing van haar hoofdverblijf, zij verplicht is om een mvv te verkrijgen om opnieuw in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfvergunning regulier voor bepaalde tijd. Deze mvv moet eiseres in haar land van herkomst, Turkije, aanvragen. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om aan te voeren waarom van haar niet verwacht kan worden dat zij een mvv aanvraagt in haar land van herkomst. Met het primaire besluit heeft de minister haar aanvraag afgewezen vanwege het ontbreken van een mvv. De minister is met het besluit op bezwaar hierbij gebleven.

Niet in geschil is dat eiseres niet beschikt over een geldige mvv.

Beoordeling door de rechtbank

Kan eiseres aanspraak maken op opgebouwde rechten uit Besluit nr. 1/80?

5. Eiseres betoogt dat zij gelet op eerdere verblijf valt onder het toepassingsbereik van het Associatieverdrag EEG-Turkije. Zij heeft rechten opgebouwd op grond van artikel 7 van het Besluit 1/80. Zij heeft zich namelijk gevoegd bij haar Turkse gezinsleden die behoren tot de legale Nederlandse arbeidsmarkt. De minister stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de door eiseres op grond van Besluit 1/80 opgebouwde rechten door het verplaatsen van het hoofdverblijf en de intrekking van haar verblijfsvergunning per 8 juli 2021, verloren zijn gegaan. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), volgt dat de omstandigheid dat een eerder besluit waarin de minister heeft vastgesteld dat geen rechten meer kunnen worden ontleend aan Besluit 1/80, in rechte vaststaat, niet automatisch met zich brengt dat geen rechten meer kunnen worden ontleend. De bepalingen uit Besluit 1/80 hebben namelijk rechtstreekse werking zodat Turkse onderdanen die aan de voorwaarden voldoen zich kunnen beroepen op de daaruit voortvloeiende rechten. Ook volgt uit de uitspraak van deze rechtbank zittingsplaats Den Haag van 18 juni 2024, dat het verplaatsen van het hoofdverblijf naar het buitenland een nationaalrechtelijke intrekkingsgrond is, waaruit niet volgt dat de opgebouwde rechten van Besluit 1/80 verloren gaan. Het moet daarbij gaan om een afwezige periode van meer dan twee achtereenvolgende jaren. Rechtspraak van het Hof van Justitie onderstreept dit: het Hof heeft geoordeeld dat de rechten van een Turkse staatburger die de rechtspositie van artikel 6 en 7 van Besluit 1/80 heeft verworven, alleen kan worden beperkt op grond van artikel 14 van datzelfde besluit. Het had op de weg van de minister gelegen om te onderzoeken of het ging om een periode van twee achtereenvolgende jaren. Eiseres is minder dan twee achtereenvolgende jaren afwezig geweest in Nederland. Gelet daarop heeft de minister eveneens de hoorplicht in bezwaar geschonden.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiseres niet valt onder de werking van artikel 13 van Besluit nr. 1/80. Eiseres heeft zich in 2009 weliswaar in Nederland bij haar Turkse vader gevoegd maar dat was niet in het kader van Besluit nr. 1/80, maar in verband met gezinshereniging op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Daarna heeft eiseres nooit aanspraken aangevraagd of doen gelden in het kader van Besluit nr. 1/80. Evenmin is gebleken dat eiseres een afgeleid verblijfsrecht zou hebben verkregen in de zin van artikel 7 van Besluit nr. 1/80. Het ligt vervolgens op de weg van eiseres om informatie naar voren te brengen waaruit volgt dat zij wel onder werking van Besluit nr. 1/80 valt. In dit kader verwijst de minister terecht naar paragraaf B10/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Ook stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat niet is gebleken dat eiseres inmiddels heeft gewerkt of dat zij voornemens is om te gaan werken. Dit heeft eiseres ook niet betwist. Verder heeft eiseres niet gemotiveerd en geconcretiseerd aangevoerd en onderbouwd dat zij onder de werking van Besluit nr. 1/80 valt. De beroepsgrond slaagt niet.

Is de mvv-plicht een beperking in strijd met de standstill-bepaling en had de minister het meest gunstige beleid moeten toepassen?

6. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat zij niet beschikt over een geldige mvv. Het mvv-vereiste gold tot oktober 2022 niet als zelfstandige afwijzingsgrond voor Turkse onderdanen. De herinvoering van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond is een nieuwe beperking in de zin van artikel, artikel 41, eerste lid, van het aanvullend protocol bij de Associatieovereenkomst EEG Turkije, zoals blijkt uit de vaste rechtspraak van de Afdeling.

Voor zover eiseres heeft bedoeld een beroep te doen op artikel 13 van het Besluit nr. 1/80, is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat niet is gebleken dat eiseres rechten kan ontlenen aan bedoeld artikel 13.

Dat artikel is immers uitsluitend van toepassing op de Turkse werknemer wiens verblijf en arbeid in Nederland legaal zijn, het gezinslid van de Turkse werknemer en de Turkse onderdaan die voornemens is om arbeid in loondienst te verrichten. Omdat eiseres niet onder deze categorieën valt, is artikel 13 van Besluit nr. 1/80 niet op haar van toepassing. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vraag of de mvv-plicht in strijd is met de standstill-bepaling van artikel 13 van Besluit nr. 1/80. Dit geldt evenzeer voor haar beroep op artikel 41, eerste lid, van het aanvullend protocol nu niet gebleken is dat eiseres een zelfstandige is in de zin van die bepaling. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de minister de hoorplicht geschonden?

7. Eiseres betoogt dat de minister haar had moeten horen voorafgaand aan het nemen van een beslissing op bezwaar. Dit is ten onrechte nagelaten, zodat sprake is van schending van de hoorplicht.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 juli 2022 het toetsingskader van de hoorplicht in vreemdelingenzaken uiteengezet. Samengevat volgt uit deze uitspraak dat het uitgangspunt is dat de minister een vreemdeling hoort in bezwaar. Van deze hoorplicht kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Uit vaste jurisprudentie volgt dat hiervan sprake is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich met juistheid op het standpunt dat mocht worden afgezien van het horen omdat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar. De stelling van eiseres dat de minister had moeten onderzoeken, en dus ook horen in bezwaar, of er sprake was van verplaatsing van het hoofdverblijf van meer dan twee jaren, volgt de rechtbank niet. Onder 5.1. komt de rechtbank namelijk tot het oordeel dat eiseres niet onder de reikwijdte van Besluit nr. 1/80 valt zodat een dergelijk onderzoek niet leidt tot het daarmee beoogde doel. Op de zitting is namens de minister niet ten onrechte aanvullend naar voren gebracht dat ook mocht worden afgezien van horen in bezwaar omdat in bezwaar geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die wijzen op belangen als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. De afwijzing van haar aanvraag blijft daarom in stand. Eiseres is vrijgesteld van de betaling van griffierecht. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach- de Wit, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.L.M. Steinebach- de Wit

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?