RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025
in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59010
(gemachtigde: mr. K. Ramdhan),
en
Procesverloop
De minister heeft op 24 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 8 december 2025 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. In de uitspraak van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank beslist op het eerste beroep en in de uitspraak van 19 november 2025 heeft zij beslist op het tweede beroep. Uit de laatstgenoemde uitspraak volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 17 november 2025).
Geen zitting
3. Hoewel eiser heeft verzocht om op zitting gehoord te worden, heeft de rechtbank aan dat verzoek geen gevolg gegeven. Het horen van eiser is ook niet verplicht, omdat het gaat om een beroep tegen het voortduren van de bewaring. Het horen van eiser is in dit geval ook niet nodig. De rechtbank heeft namelijk op basis van de stukken in het procesdossier al voldoende informatie om een oordeel te kunnen geven over het vervolgberoep.
Ontbreekt het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn?
4. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt naar Nigeria, het land waar hij naartoe moet. Eiser wijst er daarbij op dat de aanvraag voor een laissez passer (lp) dateert van 10 februari 2025. Na tien maanden is er geen reactie ontvangen, terwijl er veertien keer is gerappelleerd. Eiser verwacht ook niet dat de Nigeriaanse autoriteiten alsnog reageren binnen een redelijke termijn. De consulaten en/of ambassades zijn namelijk gesloten in de maanden december en januari en de minister heeft geen acties op dossierniveau ondernomen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In de uitspraak van 19 november 2025 is overwogen dat op 17 oktober 2025 voor eiser een presentatie in persoon stond gepland bij de vertegenwoordiging van de Nigeriaanse autoriteiten. Eiser heeft hier niet aan meegewerkt en om die reden is de presentatie niet doorgegaan. Op 4 november 2025 is verzocht om een nieuwe presentatie in persoon in te plannen.
In de voortgangsrapportage die in deze procedure is overgelegd staat dat er een nieuwe presentatie in persoon staat gepland op 12 december 2025. De rechtbank ziet daarom geen reden voor het oordeel dat de Nigeriaanse autoriteiten niet reageren. Daarom ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt om de door eiser genoemde redenen.
Moet de minister volstaan met een lichter middel?
5. Eiser betoogt dat de minister moet volstaan met een meldplicht. Daarbij licht eiser toe dat hij een vriendin heeft. Daar kan hij ook verblijven. De minister heeft deze mogelijkheid niet onderzocht.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de uitspraak van 14 oktober 2025 volgt dat in eisers geval sprake is van onttrekkingsrisico. Wat eiser aanvoert neemt dit onttrekkingsrisico niet weg. Eiser stelt enkel dat hij een vriendin heeft en onderbouwt dit niet. Dat is onvoldoende. De minister hoeft daarom ook geen aanleiding te zien om te onderzoeken of een lichter middel mogelijk is.
Ambtshalve toets
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.