RECHTBANK DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
MD+SS/B
Zaaknummer: 11477534 \ RL EXPL 25-176
Vonnis van 16 april 2025
in de zaak van
ENECO WARMTE & KOUDE LEVERINGSBEDRIJF B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Eneco,
gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[partij B] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 december 2024 met 1 productie;
- de conclusie van antwoord van 7 februari 2025 met producties 1 t/m 11;
- de brief namens Eneco van 10 maart 2025 met producties 2 t/m 4;
- de mondelinge behandeling van 17 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[partij B] huurt sinds 2 augustus 2021 de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). In de woning bevindt zich een aansluiting voor warmtetoevoer van Eneco. Daardoor kan de warmtetoevoer alleen door Eneco worden geleverd.
Eneco heeft vanaf 18 augustus 2021 aan [partij B] verzocht om een leveringscontract met haar te sluiten of de warmtetoevoer af te laten sluiten. Zij heeft daarbij aanspraak gemaakt op vergoeding van € 150,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Voor het laten afsluiten van de warmtetoevoer rekent Eneco een vergoeding van € 211,00.
[partij B] heeft geen leveringscontract met Eneco afgesloten en maakt sinds 2 november 2021 ook geen gebruik meer van de warmtetoevoer in de woning. Hij heeft geen aanvraag gedaan om de toevoer af te laten sluiten..
3. Het geschil
in conventie
Eneco vordert - samengevat – dat de kantonrechter:
voor recht verklaart dat Eneco het recht heeft om in de woning de aansluiting(en) te onderbreken door het verrichten van daarvoor noodzakelijke werkzaamheden en vervolgens onderbroken te houden en dat [partij B] wordt veroordeeld om dat te gedogen;
[partij B] veroordeelt om de woning te ontruimen, welke ontruiming wordt beperkt tot de ruimte(s) die betreden moeten worden om toegang tot de meter(s) en/of aansluiting(en) te verkrijgen en voor de duur van de voor de onderbreking van de aansluiting(en) noodzakelijke werkzaamheden;
beveelt dat [partij B] aan Eneco de meter(s) afgeeft;
[partij B] veroordeelt tot betaling van € 211,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de afsluiting tot de dag dat alles is betaald;
[partij B] veroordeelt tot betaling van € 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 december 2024 tot de dag dat alles is betaald;
[partij B] veroordeelt tot betaling van de proceskosten.
Eneco legt aan de vorderingen ten grondslag dat [partij B] energie kan afnemen zonder daarvoor te betalen, terwijl Eneco op grond van de Warmtewet geen onderscheid kan maken tussen verbruikers. Dat levert volgens Eneco een ongerechtvaardigd onderscheid op met de verbruikers die wel betalen. Verder heeft [partij B] onrechtmatig gehandeld en is hij ongerechtvaardigd verrijkt doordat hij drie maanden warmte heeft gebruikt zonder daarvoor te betalen.
[partij B] voert geen verweer tegen de vorderingen met betrekking tot het afsluiten van de aansluiting(en) in de woning. [partij B] concludeert wel tot afwijzing van de vorderingen tot vergoeding van de kosten voor het afsluiten en de buitengerechtelijke incassokosten, omdat hij geen contractuele relatie met Eneco heeft. Hij wil meewerken aan afsluiting, maar hij wil daarvoor geen kosten betalen.
in reconventie
[partij B] vordert - samengevat - veroordeling van Eneco tot betaling van € 596,41, vermeerderd met rente en kosten.
[partij B] legt aan de vordering ten grondslag dat Eneco onrechtmatig tegen hem heeft gehandeld, door op onredelijke en onduidelijke gronden vergoeding voor het afsluiten van hem te vorderen. Om die reden heeft hij een jurist ingeschakeld, wiens kosten door Eneco moeten worden vergoed.
Eneco concludeert tot afwijzing van de vordering van [partij B] .
4. De beoordeling
in conventie
Eneco mag de warmtetoevoer afsluiten
Eneco beroept zich voor haar vorderingen primair op de Warmtewet. Die wet is van toepassing op levering van warmte aan verbruikers (artikel 1a Warmtewet). Een verbruiker is een persoon die warmte afneemt van een warmtenet (artikel 1 lid 1 Warmtewet). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met afnemen niet is bedoeld dat iemand daadwerkelijk warmte gebruikt, maar dat iemand is aangesloten op een warmtenet. Aangezien dat voor [partij B] geldt is de Warmtewet op hem van toepassing, ook al heeft hij geen overeenkomst gesloten met Eneco.
In artikel 4 lid 3 van de Warmtewet en artikel 4b van de Warmteregeling is geregeld in welke gevallen een leverancier een aansluiting mag afsluiten. In artikel 4b sub d van de Warmteregeling is vermeld dat dit kan als een leveringsovereenkomst afloopt. In artikel 4a lid 1 van de Warmtewet is bepaald dat een leverancier bij afsluiting ten hoogste een door de Autoriteit Consument en Markt vast te stellen tarief in rekening brengt.
De kantonrechter is van oordeel dat het niet aangaan van een leveringsovereenkomst ook onder artikel 4b van de Warmteregeling valt. De reden waarom deze grond voor afsluiting in de regeling is opgenomen, is dat zo wordt voorkomen dat een gebruiker die niet langer een leveringsovereenkomst heeft, toch nog warmte kan afnemen. Het niet aangaan van een overeenkomst in een woning met een warmteaansluiting heeft hetzelfde gevolg als het beëindigen van een overeenkomst door een gebruiker die in de woning blijft. Daarom is Eneco ook in dat geval bevoegd de aansluiting af te sluiten. Er was voor Eneco geen reden om de afsluiting al uit te voeren, na opzegging door de vorige huurder. Die heeft immers wel diens leveringsovereenkomst opgezegd, maar niet om in de betreffende woning niet langer gebruik te maken van warmtelevering. Verder heeft Eneco aangevoerd dat zij de meters op een andere locatie kan gebruiken. De kantonrechter wijst de gevorderde verklaring voor recht, de tijdelijke en gedeeltelijke ontruiming en het bevel tot afgifte van de meters dan ook toe.
[partij B] moet de kosten van afsluiting betalen
Een leverancier mag op grond van artikel 4a lid 1 Warmtewet kosten voor het afsluiten in rekening brengen. De wet maakt daarbij geen onderscheid naar de reden van de afsluiting. Aangezien Eneco tot afsluiting mag overgaan, moet [partij B] dus de afsluitkosten betalen. De kosten ter hoogte van € 211,- die Eneco in rekening brengt zijn lager dan het maximale tarief dat de Autoriteit Consument en Markt heeft bepaald. De kantonrechter wijst de veroordeling tot betaling van dat bedrag dan ook toe.
Onvoldoende buitengerechtelijke werkzaamheden verricht
Eneco vordert daarnaast een schadevergoeding van € 150,00 voor de door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Ter zitting is namens Eneco verklaard dat de door haar verstuurde brieven en het huisbezoek aan de woning hebben plaatsgevonden in de periode voordat [partij B] de woning huurde. Daarna zijn door haar gemachtigde slechts een aantal gestandaardiseerde brieven naar de bewoner van de woning gestuurd. Om die reden is de kantonrechter van oordeel dat de buitengerechtelijke werkzaamheden niet meer behelzen dan het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken, zodat die op een lijn worden gesteld met het opstellen en versturen van een aanmaning of een andere eenvoudige brief (HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590). Die kosten worden door de proceskostenvergoeding gedekt, zodat Eneco geen recht heeft op verdere vergoeding.
[partij B] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Eneco worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
112,99
- griffierecht
€
135,00
- salaris gemachtigde
- nakosten
€
€
80,00
20,00
(2 punten x tarief € 40,00)
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
347,99
in reconventie
Uit het voorgaande blijkt dat Eneco zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [partij B] voor het afsluiten van de warmtetoevoer een vergoeding moet betalen. De stelling van [partij B] dat Eneco zich onrechtmatig heeft gedragen door dat van hem te verlangen wordt door de kantonrechter dan ook niet gevolgd. Dat betekent dat er voor de kosten van de door hem ingeschakelde jurist geen grondslag bestaat. Die vordering wordt dan ook afgewezen.
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Eneco worden door de kantonrechter begroot op nihil.
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
verklaart voor recht dat Eneco het recht heeft om in de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] de aansluiting op het warmtenet te onderbreken en onderbroken te houden, door het uitvoeren van de werkzaamheden die daarvoor noodzakelijk zijn;
veroordeelt [partij B] om te gedogen dat Eneco de werkzaamheden uitvoert die in 5.1. zijn bedoeld;
veroordeelt [partij B] om de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] tijdelijk en gedeeltelijk te ontruimen als dat nodig is voor het uitvoeren van de werkzaamheden die in 5.1. zijn bedoeld;
veroordeelt [partij B] om de warmtemeters af te geven aan Eneco;
veroordeelt [partij B] om € 211,00 aan Eneco te betalen als Eneco de aansluiting onderbreekt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de afsluiting tot de dag dat alles is betaald;
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 347,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij B] ook de kosten van betekening betalen;
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
wijst de vorderingen van [partij B] af;
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van Eneco, welke worden begroot op nihil;
in conventie en in reconventie
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.J. Doornink en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.