RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58622
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. S. Bozkürt).
Procesverloop
Bij besluit van 26 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025, met behulp van een videoverbinding, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
Heeft de ophouding van eiseres op de juiste grondslag plaatsgevonden?
1. Eiseres betoogt dat haar ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Van eiseres zijn brondocumenten bekend en ook is er een kopie van het paspoort van eiseres. Het was daarom voor de minister vanaf het begin duidelijk wie eiseres is en wat haar verblijfstatus is. De minister kon eiseres daarom niet ophouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000. Eiseres betoogt dat dit de onjuiste grondslag is en dat de ophouding had moeten plaatsvinden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister wijst terecht op het formulier M105, het proces-verbaal van de ophouding, waaruit blijkt dat eiseres ten tijde van haar ophouding geen identiteitsbewijs kon laten zien. In het formulier M105 wordt vermeld dat er onderzoek is gedaan naar de identiteit van eiseres. Ook wijst de minister er terecht op dat hij niet hoeft uit te gaan van de identiteitsvaststelling in de strafrechtketen. Dit volgt ook uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Is de inbewaringstelling van eiseres onevenredig bezwarend?
2. Eiseres betoogt dat haar inbewaringstelling onevenredig bezwarend is. Eiseres wordt door haar inbewaringstelling beperkt om haar kind te kunnen bezoeken.
Naar het oordeel van de rechtbank is de bewaring van eiseres niet onevenredig bezwarend. De minister heeft zich er voldoende rekenschap van gegeven dat eiseres, die kampt met een drugsverslaving, de moeder is van een in juni 2025 geboren dochter. Het kind is onder toezicht gesteld. Eiseres houdt zich sinds eind augustus 2025 niet meer aan de omgangsregeling. De minister heeft op 8 september 2025 nog besloten om eiseres geen maatregel van bewaring op te leggen, maar haar geïnstrueerd hoe zij contact kon leggen met Jeugdzorg en de omgangsregeling kon hervatten. Ook daarna is zij nog gewezen op hulp en dringend verzocht om contact te leggen met Jeugdzorg. Nu eiseres geen actie heeft ondernomen, heeft de minister, hoe spijtig ook, terecht geconstateerd dat eiseres geen waarde lijkt te hechten aan hulp en niet lijkt te werken aan herstel van de band met haar dochter. Daarmee heeft de minister voldoende gemotiveerd dat de belangen van het kind niet aan de inbewaringstelling van eiseres in de weg staan.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. In de door de minister en eiseres verstrekte gegevens ziet de rechtbank geen grond om, ambtshalve toetsend, te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.