RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58009
in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
De minister heeft op 25 november 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, en met behulp van een audioverbinding gehoord. Eiser is bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Rechtsbijstand bij het gehoor voorafgaand de inbewaringstelling
2. Eiser betoogt dat zijn recht op rechtsbijstand tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is geschonden. Daarbij licht eiser toe dat de minister geen piketmelding heeft gedaan voorafgaand aan het gehoor. Uit het proces-verbaal van het gehoor (de M110) blijkt namelijk dat het gehoor om 14:00 uur is begonnen, terwijl de minister later - om 14:12 uur - een piketmelding heeft gedaan. Dat is te laat. Eiser voert verder aan dat de piketmelding binnen twee minuten is geaccepteerd door een piketadvocaat. Eiser wist niet dat er zo snel een advocaat beschikbaar was. Volgens eiser had de minister hem moeten inlichten over de geldende termijnen na het doen van een piketmelding.
De beroepsgrond slaagt niet. Dat legt de rechtbank hieronder uit.
Op grond van artikel 100, eerste lid, van de Vw 2000 wordt op verzoek van de vreemdeling hem een raadsman toegevoegd, zodra hem ingevolge deze wet zijn vrijheid is ontnomen.
Op grond van artikel 5.2, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de vreemdeling, voordat hij op grond van artikel 59a van de Vw 2000 in bewaring wordt gesteld, gehoord. Op grond van artikel 5.2, vierde lid, van het Vb 2000 wordt aan de vreemdeling tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het gehoor te doen bijstaan door zijn raadsman.
Verder staat het volgende in paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
‘De ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 VV stelt de vreemdeling tijdig in kennis van het recht om in het bijzijn van een advocaat gehoord te worden. Als de vreemdeling een advocaat bij het gehoor wenst en een voorkeursadvocaat heeft, dan wordt de voorkeursadvocaat bericht over de voorgenomen inbewaringstelling. Als de voorkeursadvocaat niet bereikbaar is, wordt de piketcentrale bericht over de voorgenomen inbewaringstelling. Bij een hernieuwde inbewaringstelling als bedoeld in paragraaf A5/6.7 Vc kan dit bericht verzonden worden naar de advocaat die de vreemdeling in de eerdere bewaringsprocedure al bijstond.
Er mag met het gehoor worden begonnen zonder bijzijn van een advocaat:
•indien de vreemdeling geen advocaat bij het gehoor wenst;
•indien de vreemdeling wel een advocaat bij het gehoor wenst, en de advocaat heeft aangegeven niet bij het gehoor aanwezig te kunnen of te willen zijn; of
•indien de vreemdeling wel een advocaat bij het gehoor wenst, en er binnen twee uur na de verzending van het bericht over de voorgenomen inbewaringstelling nog geen advocaat aanwezig is.’
In de M110 staat dat de gehoorambtenaar bij aanvang van het gehoor aan eiser heeft uitgelegd dat hij gebruik kan maken van rechtsbijstand, zowel tijdens het gehoor als gedurende de verdere procedure. Verder staat er dat eiser op de vraag of hij gebruik wenst te maken van rechtsbijstand tijdens het gehoor, antwoordde met ‘Nee daar heb ik nu geen behoefte aan’. Ook staat er dat de gehoorambtenaar aan eiser heeft medegedeeld dat alsnog een piketadvocaat aan eiser zal worden toegewezen. Vervolgens is de advocatenpiketdienst op 19 november 2025 omstreeks 14:12 uur ingelicht.
Uit het proces-verbaal blijkt dat de gehoorambtenaar uitdrukkelijk aan eiser heeft gevraagd of hij tijdens het gehoor bijstand van een advocaat wil. De gehoorambtenaar heeft uit eisers verklaring terecht opgemaakt dat eiser geen advocaat bij het gehoor wenst. De gehoorambtenaar heeft het gehoor daarom kunnen afnemen zonder bijstand van een advocaat. Dat is ook in overeenstemming met paragraaf A5/6.5 van de Vc 2000. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de piketmelding te laat is gedaan. Uit paragraaf A5/6.5 van de Vc blijkt namelijk niet dat er éérst een piketmelding moet worden gedaan voordat een aanvang kan worden gemaakt met het gehoor. Dit volgt ook niet uit enig andere rechtsregel. Ook volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat hij onvoldoende is ingelicht, omdat de gehoorambtenaar hem niet heeft laten weten dat de piketmelding was geaccepteerd door een piketadvocaat. De wachttermijn waar eiser in dit verband op doelt, geldt namelijk voor de situatie dat iemand aangeeft wél een advocaat bij het gehoor te willen. Dat doet zich in eisers situatie niet voor, zodat eiser daarop niet gewezen hoefde te worden. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser geen reële mogelijkheid heeft gekregen om zich te laten bijstaan door een advocaat. Eisers recht op rechtsbijstand is niet geschonden.
3. Eiser voert aan dat hij wél heeft aangegeven dat hij een advocaat wenst bij het gehoor. Wat in de M110 staat, klopt dus niet.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals hierboven beschreven, volgt uit de M110 dat eiser heeft aangegeven dat hij geen advocaat bij het gehoor wenst. De M110 is een op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. De minister mag er in beginsel van uitgaan dat de inhoud juist en volledig is, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Dat volgt uit vaste rechtspraak. Eiser maakt in dit geval niet aannemelijk dat de inhoud van het proces-verbaal onjuist is. De enkele stelling dat eiser wél heeft aangegeven dat hij een advocaat wenst, is onvoldoende.
De maatregel van bewaring
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet betwist. Ook ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden (samen) onvoldoende zijn om de maatregel te dragen. Daarom stelt de minister terecht dat in eisers geval sprake is van een onttrekkingsrisico.
Ambtshalve toets
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden en het oordeel over de zware en lichte gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.