RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38893
(gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki),
en
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 23 februari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Iraanse nationaliteit en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Hij heeft politieke activiteiten verricht voor [politieke partij]. Ook heeft hij discriminatie ervaren in Iran omdat hij Arabisch is. Ook is hij afvallig van de islam. Eiser vreest bij terugkeer voor vervolging door de Iraanse autoriteiten.
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de verrichte politieke activiteiten en daaruit voortvloeiende problemen;
3. de discriminatie in Iran;
4. de afvalligheid van de islam.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De discriminatie in Iran en de afvalligheid van de islam zijn ook geloofwaardig geacht. De verrichte politieke activiteiten en de daaruit voortvloeiende problemen zijn niet geloofwaardig. De minister concludeert dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling en ook geen reëel risico op ernstige schade loopt.
Waar ziet het beroep van eiser op?
5. Het beroep van eiser richt zich enkel tegen het standpunt van de minister dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn afvalligheid een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Iran.
Heeft de minister eisers vrees voor vervolging vanwege eisers afvalligheid bij terugkeer naar Iran terecht niet aannemelijk geacht?
6. Eiser betoogt dat hij zijn vrees voor vervolging bij terugkeer naar Iran aannemelijk heeft gemaakt. Hiertoe voert hij aan dat hij voldoende verklaringen heeft afgelegd over de problemen die hij in het verleden heeft ondervonden als gevolg van zijn afvalligheid en bekering. Verder heeft de minister onvoldoende doorgevraagd over de wijze van uiting van eisers afvalligheid in Nederland. Hiermee heeft de minister niet in lijn met de Werkinstructie 2022/3 gehandeld. Daarnaast voert eiser aan dat hij de afgelopen jaren in vrijheid heeft geleefd en hij beschouwt zichzelf als ex-moslim. Bij terugkeer zal hij deze levenswijze doorzetten en van hem kan niet worden verwacht dat hij zich terughoudend opstelt. Daar komt bij dat eiser al jaren in het buitenland verblijft, waardoor de minister moet onderzoeken of eiser bij terugkeer kans op vervolging heeft. Eiser verwijst hierbij naar de Country Guidance uitspraak van het United Kingdom Upper Tribunal (Judges Rintoul and Bruce) van 20 februari 2020 (Country Guidance uitspraak), waaruit blijkt dat vreemdelingen zoals eiseres streng gecontroleerd gaan worden bij aankomst in Iran. Verder wijst eiser op de inhoud van het Algemeen ambtsbericht Iran (het ambtsbericht) van februari 2021, waarin staat dat de grenspolitie en/of de inlichtingendienst Iraniërs die een aantal jaren buiten Iran hebben verbleven en voor het eerst sinds lange tijd terugkeren bij hun aankomst op de luchthaven in Teheran worden ondervraagd. Ook verwijst eiser naar diverse uitspraken waaruit blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) en deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam hebben geoordeeld dat de minister risico’s bij terugkeer naar Iran goed moet onderzoeken.
De rechtbank overweegt dat uit het (meeste recente) ambtsbericht van september 2023 volgt dat sommige terugkeerders bij aankomst worden aangehouden. Als iemand lang in het buitenland heeft verbleven is het risico groot dat diegene bij aankomst wordt ondervraagd over dat verblijf. De rechtbank overweegt verder dat uit de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022 volgt dat de minister bij een geloofwaardig geachte afvalligheid moet onderzoeken en beoordelen of, en zo ja hoe, een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid. De minister mag van een vreemdeling niet verlangen dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn geloofwaardig geachte afvalligheid in het land van herkomst.
In het Informatiebericht (IB) 2023/35 is onder meer bepaald dat bij een vreemdeling van wie de afvalligheid geloofwaardig is geacht, verweerder conform werkinstructie (WI) 2022/3 dient te onderzoeken en beoordelen of de uitingen van afvalligheid die ervoor zouden zorgen dat hij in de negatieve aandacht zal komen te staan, van belang zijn voor het behoud van de religieuze identiteit. Ook moet worden onderzocht en beoordeeld hoe en waarom de vreemdeling in het land van herkomst uiting gaf aan zijn overtuiging en hoe hij dit in Nederland heeft gedaan, en ook of en waarom hij dit bij terugkeer (anders) zou willen doen en of dit geloofwaardig is. Als de vreemdeling in het land van herkomst en in Nederland zijn afvalligheid terughoudend of niet actief heeft geuit, dan is het in beginsel niet aannemelijk dat de vreemdeling in het geval van een eventuele ondervraging door de autoriteiten op de luchthaven zal verklaren dat hij afvallig is. Dit doet namelijk vermoeden dat het voor de vreemdeling in beginsel niet van belang is om zijn afvalligheid kenbaar te maken voor het behoud van zijn religieuze identiteit.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging bij terugkeer naar Iran vanwege zijn afvalligheid niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft uit eisers verklaringen terecht afgeleid dat het uiten van zijn afvalligheid geen belangrijk onderdeel van zijn religieuze identiteit is.
Eiser heeft aangegeven dat hij in het verleden weliswaar problemen heeft gehad met zijn familie vanwege zijn bekering naar het soennisme, maar uit eisers eigen verklaringen is niet gebleken dat hij deze problemen heeft ondervonden vanwege zijn afvalligheid. Daar komt bij dat van eisers familie enkel zijn zus in Iran woont met wie hij geen contact heeft. Daarnaast heeft eiser niet concreet gemaakt dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd naar de wijze waarop hij zijn afvalligheid in Nederland heeft geuit. Op de zitting is aan eiser gevraagd over welke uitingen hij had willen verklaren als er wel was doorgevraagd, maar eiser heeft dit niet kunnen onderbouwen. Daar komt bij dat de minister eisers verklaringen over het uiten van zijn afvalligheid, namelijk dat hij zijn afvalligheid momenteel in Nederland niet uit en dat niet van plan is in de toekomst in Iran te doen, heeft betrokken in de beoordeling van zijn vrees bij een terugkeer naar Iran. Gelet hierop heeft de minister terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat eisers afvalligheid zo belangrijk voor hem is, dat hij deze actief wil uitdragen in Iran. De door eiser genoemde uitspraken maken dat niet anders, omdat door eiser niet is toegelicht en ook niet is gebleken dat die uitspraken van toepassing zijn op de situatie van eiser. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens zijn afvalligheid te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op vervolging dan wel ernstige schade.
De rechtbank is het verder van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een risico loopt bij terugkeer wegens mogelijke ondervraging door de Iraanse autoriteiten. Eiser heeft een beroep gedaan op de Country Guidance uitspraak maar niet kunnen toelichten waarom die uitspraak op zijn situatie van toepassing is. Uit de ingeroepen landeninformatie blijkt niet dat iedere Iraniër die terugkeert wordt ondervraagd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn verblijf in het buitenland een verhoogd risico loopt op ondervraging. Voorts is niet gebleken dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers afvalligheid. Daar komt bij dat uit landeninformatie blijkt dat het zo kan zijn dat de autoriteiten op de hoogte zijn van iemands afvalligheid, maar daar verder geen aandacht aan wordt besteed. Bovendien heeft de minister terecht gesteld dat als er toch sprake zal zijn van een eventuele ondervraging van eiser verwacht mag worden dat zich terughoudend opstelt met betrekking tot zijn afvalligheid, hetgeen ook kan inhouden dat eiser sociaal gewenste antwoorden geeft. Eiser heeft immers zijn afvalligheid niet in Nederland geuit en evenmin blijkt uit zijn verklaringen dat hij deze actief wil uitdragen in Iran. De rechtbank is van oordeel dat het slechts verwijzen naar de beschikbare algemene landeninformatie over de situatie op de luchthaven bij terugkeer naar Iran onvoldoende is om aannemelijk te achten dat eiser daadwerkelijk een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade vanwege de enkele terugkeer. Eiser heeft dat niet met individuele feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.