RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Buitenlandse Zaken
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/10131
(gemachtigde: dhr. D.H. Luijendijk),
en
(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een visum voor kort verblijf. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit een motiveringsgebrek bevat. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank namelijk onvoldoende gemotiveerd waarom onvoldoende sociale en economische binding met Iran bestaat, gelet waarop de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij twijfelt of eiser na verloop van het visum wel terug zal keren naar Iran. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om een visum voor kort verblijf voor een familiebezoek ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 18 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 april 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser (tevens referent) en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. Eiser heeft de Iraanse nationaliteit. Referent heeft voor eiser een aanvraag gedaan voor een visum. Referent is de zwager van eiser. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat hij twijfelt of eiser na verloop van het visum wel terug zal keren naar Iran. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser niet heeft aangetoond dat hij voldoende sociale en economische binding met Iran heeft.
Toetsingskader
4. Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond, niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken of indien redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Bij de beoordeling hiervan heeft de minister een ruime beoordelingsmarge.
Sociale binding
5. De minister stelt vast dat eiser is gehuwd en geen kinderen heeft. Daardoor is sprake van enige sociale binding met Iran omdat eiser niet met zijn echtgenote naar Nederland reist. Eiser heeft daarnaast een broer in Iran, maar op grond hiervan neemt de minister niet zonder meer aan dat de sociale binding met Iran zo sterk is dat de tijdige terugkeer gewaarborgd is. Daarbij merkt de minister op dat de twee zussen van eiser en zijn ouders in Nederland wonen, waarmee dus een sociale binding met Nederland bestaat. De sociale binding met Iran wordt niet zodanig sterk geacht dat tijdige terugkeer naar Iran is gewaarborgd. Met betrekking tot de stelling van eiser dat zijn echtgenote zwanger is, merkt de minister allereerst op dat de beoordeling van een visumaanvraag ex-tunc plaatsvindt. Daarnaast is de gestelde zwangerschap niet objectief onderbouwd, omdat een vertaling van een medische verklaring ontbreekt. Ook als de zwangerschap wordt aangenomen, neemt dit de redelijke twijfel dat eiser zal terugkeren niet weg. Dit vormt namelijk geen zwaarwegende factor waaruit blijkt dat eiser met zekerheid naar Iran zal terugkeren.
Eiser voert aan dat de minister onvoldoende deugdelijk motiveert dat de sociale binding onvoldoende is. De minister is namelijk uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken. Ten eerste heeft de minister gewezen op de situatie van de zussen en ouders van eiser. In dat kader gaat de minister uit van een onjuiste voorstelling van feiten, omdat de minister lijkt te suggereren dat beide zussen van eiser in de asielprocedure zitten, terwijl één van de zussen van eiser al meer dan 25 jaar in Nederland woont. Verder is van belang dat hun situatie niets met eiser van doen heeft. Verder suggereert de minister dat de binding met Nederland (en dus met zijn zussen en ouders) hoogstwaarschijnlijk groter is dan die met Iran waar zijn echtgenote woont. Die suggestie is onjuist en daarbij komt dat de vrouw van eiser zwanger is. Gelet hierop heeft de minister miskend dat eiser een sterke sociale binding heeft met Iran.
De beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiser onvoldoende sociale binding met Iran heeft om een tijdige terugkeer naar Iran te waarborgen. Hoewel de beoordeling van een visumaanvraag ex-tunc plaatsvindt, heeft de minister de (gestelde) zwangerschap toch beoordeeld en de rechtbank zal dit standpunt daarom ook meenemen in haar overweging. Daarbij is de rechtbank allereerst van oordeel dat de zwangerschap de sociale binding van eiser met Iran nader onderbouwt en de rechtbank kan de minister niet volgen in zijn standpunt dat de zwangerschap, en het hebben van een kind, de sociale binding met Iran niet sterker zou maken. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiser heeft aangegeven ook financieel verantwoordelijk te zijn voor zijn echtgenote en aankomend kind. Eiser heeft in dit kader terecht gewezen op het feit dat daardoor niet zonder meer aannemelijk is dat eiser in Nederland zal blijven, omdat zijn echtgenote en aankomend kind dan zonder financiële middelen in Iran zouden moeten verblijven. Dit heeft de minister niet betrokken in zijn beoordeling, terwijl dit naar het oordeel van de rechtbank wel van belang is in het kader van de vraag of eiser terug zal keren naar Iran.
Economische binding
6. De minister stelt zich op het standpunt dat de economische binding met Iran niet is aangetoond. Daarbij wijst de minister erop dat eiser bij de visumaanvraag een andere functie heeft opgegeven dan de functie die op de (later) overgelegde werkgeversverklaring staat. Daarnaast komt de naam van de werkgever die op de visumaanvraag staat vermeld, niet overeen met de naam op de werkgeversverklaring en de arbeidsovereenkomst. De minister twijfelt daarom aan de gestelde werkzaamheden van eiser bij de gestelde werkgever. Ook als wordt aangenomen dat eiser werkzaam is bij deze werkgever, merkt de minister op dat eiser daar pas sinds 23 juli 2023 werkt. Dit vormt onvoldoende reden om aan te nemen dat eiser tijdig naar Iran zal vertrekken.
Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zijn economische binding met Iran onvoldoende is aangetoond. Eiser heeft namelijk, zoals door de minister gevraagd, een werkgeversverklaring overgelegd. Het enkele feit dat bij de aanvraag een andere beroepstitel is genoemd dan in de werkgeversverklaring staat, is onvoldoende om uit te gaan van een vervalste werkgeversverklaring. Referent heeft namelijk de beroepstitel in Google Translate gezet en daar kwam de vertaling ‘verkoper’ uit. In de werkgeversverklaring staat dat eiser als ‘Sales manager’ werkzaam is. Verder betrekt de minister in zijn beoordeling dat eiser relatief kort bij de werkgever werkzaam is. Hierover merkt eiser op dat hieruit niet blijkt dat geen sprake is van economische binding met Iran. Daarbij wijst eiser op de hoge werkloosheid in Iran, wat maakt dat mensen niet snel uit een vaste baan treden. Daarnaast heeft eiser een goed betaalde baan en zal hij, mede gelet op zijn aankomende kind, deze niet graag opgeven.
De beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de economische binding met Iran niet is aangetoond. De gemachtigde van de minister heeft namelijk tijdens de zitting bevestigd dat de tegenwerpingen met betrekking tot de opgegeven functie en de naam van de werkgever, niet kloppen en daarom niet langer worden tegengeworpen. De minister blijft echter bij het standpunt dat de economische binding onvoldoende is aangetoond, omdat eiser pas sinds 23 juli 2023 werkzaam is bij het bedrijf. Naar het oordeel van de rechtbank is dat standpunt onvoldoende gemotiveerd. Eiser is namelijk al ruim twee jaar in dienst, en dat acht de rechtbank niet een zodanig korte periode dat daaruit geen economische binding kan volgen. Daarnaast is de minister niet ingegaan op het betoog van eiser dat in Iran een hoge werkloosheid heerst waardoor eiser zijn goed betaalde baan niet snel zal opgeven. De rechtbank acht dit gegeven relevant in het kader van de economische binding, waardoor de minister dit gegeven mee had moeten wegen.
7. Gelet op voorgaande bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek en is het beroep van eiser gegrond. De rechtbank zal over de overige gronden geen oordeel geven, de kern van het besluit ziet namelijk op de sociale en economische binding van eiser met Iran. De rechtbank merkt wel op dat de minister bij iedere visumaanvraag dient te kijken naar de situatie zoals die op dat moment is, waarbij eerdere verstrekte visa niet maken dat het huidige visum alleen al daardoor verleend moet worden.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met in achtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser het door hem betaalde griffierecht terug. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten, omdat aan hem niet door een derde beroepsmatig rechtsbijstand is verleend.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigd het bestreden besluit;
- draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar bekend te maken;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: