RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40547
(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Hij is het hier niet mee eens. Eiser voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister acht niet ten onrechte eisers gestelde homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig. Dat betekent dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 t/m 5 volgen de eerdere procedures, het asielrelaas en het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 9 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 augustus 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.40548, op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Eerdere procedures
3. Met ingang van 12 februari 2002 heeft de minister aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Op 5 januari 2005 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is met de uitspraak van 19 november 2007 van deze rechtbank ongegrond verklaard. De afwijzing is met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 februari 2008 in rechte vast komen te staan. Eiser is daarom sinds het aflopen van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op 12 februari 2005 niet (langer) in het bezit van een verblijfsrecht.
Vervolgens heeft eiser op 13 augustus 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. Het beroep van eiser tegen deze afwijzing is op 20 oktober 2009 ongegrond verklaard door de zittingsplaats Haarlem van deze rechtbank. Hiertegen heeft eiser geen hoger beroep ingesteld. Op 25 januari 2010 heeft eiser nogmaals een aanvraag gedaan voor eenzelfde verblijfsvergunning regulier. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem. van 4 oktober 2012 is het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De afwijzing hiervan is met de uitspraak van 10 juli 2013 van de Afdeling in rechte vast komen te staan.
Op 17 juli 2017 heeft eiser een nieuwe asielaanvraag ingediend. Gelet op de eerdere ingewilligde asielaanvraag (uit 2002) was dit zijn tweede asielaanvraag. Deze is afgewezen, omdat niet geloofwaardig werd geacht dat eiser homoseksueel is. Het beroep van eiser tegen deze afwijzing is met de uitspraak van 4 september 2017 ongegrond verklaard door de zittingsplaats Middelburg van deze rechtbank. Eiser heeft daar geen hoger beroep tegen ingesteld. Vervolgens heeft eiser op 12 oktober 2018 een derde asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze afgewezen, omdat er geen reden was voor een herbeoordeling van eisers verklaringen over zijn gestelde seksuele geaardheid. De zittingsplaats Middelburg van deze rechtbank heeft het beroep van eiser tegen deze afwijzing met de uitspraak van 3 december 2018 ongegrond verklaard. Ook tegen deze uitspraak heeft eiser geen hoger beroep ingesteld.
Het asielrelaas
4. Eiser is van Sierra Leoonse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1982. Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft een identiteitsgroei doorgemaakt met betrekking tot zijn gestelde homoseksualiteit. Eiser heeft zichzelf geaccepteerd en durft nu te tonen wie hij is. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een aantal brieven en foto’s overgelegd. Verder wijst eiser op de ten opzichte van 2017 gewijzigde werkinstructie, waarin niet langer van de vreemdeling wordt verwacht dat hij kan verklaren over het hebben ondergaan van innerlijke processen van bewustwording en acceptatie. Tot slot wijst eiser op het rapport “Trots of Schaamte? Het vervolg” van mr. S. Janssen uit 2022. Eiser vreest bij terugkeer naar Sierra Leone voor zijn leven, omdat de wetten in dat land het niet toe laten dat hij zijn menselijke gevoelens uit en lhbti’ers in zijn land niet geaccepteerd worden.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
gestelde homoseksuele geaardheid.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De minister vindt de homoseksuele geaardheid van eiser echter niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn homoseksuele geaardheid niet met documenten onderbouwd en de verklaringen van eiser zijn volgens de minister niet samenhangend en aannemelijk. Daarom heeft de minister alleen gekeken of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is niet het geval. Omdat eisers asielaanvraag daarnaast een opvolgende aanvraag is en hij op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, heeft de minister de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Heeft de minister eisers gestelde homoseksuele geaardheid ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
6. Eiser betoogt dat de minister zijn homoseksuele geaardheid ten onrechte ongeloofwaardig vindt. Eiser voert aan dat zijn verklaringen over zijn identiteitsgroei niet onsamenhangend en onaannemelijk zijn. Van eiser mag namelijk niet worden verwacht dat hij een eenduidig antwoord geeft op de vraag wat identiteitsgroei voor hem heeft betekend. Eiser heeft daarover verklaard dat hij zichzelf beter kan identificeren en dat hij minder angst en schaamte kent en ziet niet in op welke wijze hij dat verder zou kunnen onderbouwen. Verder heeft eiser niet gesteld dat hij de identiteitsgroei pas vanaf 2018 heeft doorgemaakt. Het doormaken van zulke identiteitsgroei is namelijk niet iets wat op een specifiek moment gebeurt. De minister lijkt hier ten onrechte wel van uit te gaan. Eiser voert verder aan dat de minister de partner van eiser had moeten horen, omdat hij een duidelijker inzicht over de aard van de relatie had kunnen geven. Tot slot blijkt duidelijk uit het verslag van het gehoor dat eiser niet in staat is om meer diepgaand over emoties en gevoelens te verklaren dan hij al heeft gedaan.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers homoseksualiteit ongeloofwaardig is. De rechtbank stelt bij haar oordeel voorop dat de minister terecht stelt dat niet is gebleken dat eiser niet in staat zou zijn om meer over zijn gevoelens en emoties te verklaren dan hij nu heeft gedaan. Eiser heeft tijdens de zitting ter onderbouwing van die stelling gewezen op alle gehoren die hij in deze en vorige procedures heeft gehad en op basis daarvan beredeneerd dat hieruit volgt dat hij niet in staat is om meer te verklaren, maar de rechtbank volgt eiser daar niet in. Het enkele feit dat eiser in de gehoren niet meer heeft verklaard dan hij heeft gedaan, is namelijk op zichzelf geen reden om aan te nemen dat de minister van eiser minder mag verwachten dan van andere vreemdelingen. In het verlengde hiervan slaagt de rest van het betoog van eiser ook niet.
De minister heeft niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser niet duidelijk heeft kunnen uitleggen wat hij bedoelt met identiteitsgroei. Omdat identiteitsgroei de kern van het asielrelaas van eiser vormt, mag van eiser worden verwacht dat hij nader duidt wat hij daarmee bedoelt. Verder mocht de minister zich op het standpunt stellen dat eiser geen inzicht heeft geboden in hoe zijn gevoelens zich hebben ontwikkeld en hoe deze bijdragen aan de gestelde identiteitsgroei. Eiser heeft, anders dan met het verwijzen naar zijn verklaringen of de stelling dat hij niet uitgebreider kan verklaren, niet uitgelegd waarom de minister dat standpunt niet mocht innemen. Verder heeft de minister niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij pas vanaf 2018 een identiteitsgroei heeft doorgemaakt en niet eerder, omdat hij vóór 2018 ook al actief zou zijn geweest in de lhbti-gemeenschap. Dat eiser niet zou hebben verklaard dat hij de identiteitsgroei pas vanaf 2018 heeft doorgemaakt, volgt de rechtbank niet. Hij heeft in het gehoor immers expliciet verklaard vanaf 2018 een identiteitsgroei te hebben doorgemaakt.
Ook heeft de minister geen reden hoeven zien om de gestelde partner van eiser te horen. Het gaat namelijk om de asielaanvraag van eiser, zodat het aan hem is om zijn asielaanvraag te onderbouwen en over de relatie met zijn partner te verklaren.
De uitspraken waar de gemachtigde van eiser tijdens de zitting naar heeft verwezen maken het oordeel niet anders. In tegenstelling tot wat in die zaken het geval was, heeft de minister in de besluitvorming in deze zaak kenbaar gemotiveerd welk gewicht hij aan de door eiser overgelegde verklaringen en documenten toekent en waarom. Ook is de minister in de besluitvorming uitgebreid ingegaan op eisers relatie met zijn partner, waarbij hij gemotiveerd heeft gesteld dat eisers verklaringen daarover oppervlakkig zijn en niet overeenkomen met de verklaringen van zijn partner. Dat eiser al jarenlang verklaart homoseksueel te zijn en meedoet aan lhbti-activiteiten – zoals eisers gemachtigde tijdens de zitting naar voren heeft gebracht – maakt het oordeel ook niet anders. Zoals hiervoor is overwogen, mag de minister namelijk verwachten dat eiser er ook voldoende over verklaart.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de minister de aanvraag mocht afwijzen als kennelijk ongegrond. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.