RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53495
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 27 oktober 2025 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft de maatregel op 3 november 2025 opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Seth Paul, waarnemer van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres is geboren op [datum] 1994 en is burger van de Verenigde Staten van Amerika.
2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, als de maatregel al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing daarvan, aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. Eiseres heeft gronden aangevoerd tegen het feit dat haar geen toegang is verleend. Aan eiseres is echter niet de toegang geweigerd. Een beslissing omtrent het al dan niet verlenen van toegang is uitgesteld, waarna de maatregel is opgelegd. Tegen het uitstellen van de toegangsweigering kan eiseres geen rechtsmiddel aanwenden. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2016, waarin is geoordeeld dat het uitstellen van het besluit over de toegang tot Nederland valt aan te merken als een handeling in de zin van artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarom geen sprake is van een besluit waartegen afzonderlijk rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
De beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat zij aan de grens te kennen heeft gegeven dat zij lijdt aan PTSS en al vijf jaar een hulphond heeft. Deze hond is ook met haar meegereisd. In het bestreden besluit is daar ten onrechte niets over opgenomen.
In het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel, zoals weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 27 oktober 2025 is, voor zover hier van belang, het volgende weergegeven:
“Ik ben voornemens aan u een vrijheid ontnemende maatregel op te leggen. Zijn er feiten en/of omstandigheden die maken dat dit volgens u, in uw geval niet mogelijk is?
Dat is voor mij geen probleem, ik vind het alleen erg om mijn dieren achter te laten.
Zijn er bijzondere medische omstandigheden waarmee rekening gehouden moet worden? Gebruikt u medicijnen?
Ik heb PTSS, ik gebruik geen medicatie.”
In het proces-verbaal van gehoor van 27 oktober 2025 is, voor zover hier van belang, vermeld dat eiseres in het gezelschap was van haar hulphond en kat. Ook is vermeld dat deze dieren niet mee kunnen naar het JCS aanmeldcentrum en dat een medewerker van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit ter plaatse is gekomen om zorg te dragen voor opvang voor deze dieren.
Beide processen-verbaal zijn opgesteld door de verbalisant die ook het bestreden besluit heeft opgesteld, te weten wachtmeester der 1e klasse, [naam] .
In het bestreden besluit is aangekruist dat op de vraag of er feiten of omstandigheden zijn die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is, door eiseres geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd. Dat is naar het oordeel van de rechtbank onjuist, nu eiseres heeft aangegeven PTSS te hebben en verbalisant ervan op de hoogte was dat zij reisde met onder meer haar hulphond en dat deze hond niet met eiseres naar het JCS mee kon. Deze omstandigheden zijn niet opgenomen in het bestreden besluit en evenmin blijkt op welke wijze deze omstandigheden een rol hebben gespeeld in de overweging of van het opleggen van de maatregel afgezien moest worden. Dat had wel gemoeten. De enkele opmerking in het bestreden besluit, dat op het aanmeldcentrum voldoende medische voorzieningen zijn, maakt niet inzichtelijk waarom eiseres, ondanks de PTSS en dat zij daarvoor een hulphond heeft, de maatregel op verantwoorde wijze kan ondergaan en ook niet waarom haar belangen niet leiden tot de conclusie dat in haar geval het grensbewakingsbelang niet langer prevaleert. Het besluit is op dit punt dan ook onvoldoende gemotiveerd.
De beroepsgrond slaagt.
6. Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.
7. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 8 x €100,- = € 800,-.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 800,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.