RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55231
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Verweerder heeft op 7 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum 1] 1998.
Eiser is ook bekend onder de aliassen [alias 1] , geboren op [datum 1] 1998 in Algerije en [alias 2] geboren op [datum 2] 2006.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 oktober 2025 volgt dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 2 oktober 2025.
4. Eiser voert allereerst aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Blijkens het vertrekgesprek van 30 oktober 2025 zou een laissez-passer zijn afgegeven door de Algerijnse autoriteiten. Uit de voortgangsgegevens blijkt alleen dat op 28 oktober 2025 de nationaliteit van eiser is bevestigd. Sterker nog, op 6 november 2025 is er nog gerappelleerd. Verder blijkt uit de voortgangsgegevens dat de landverantwoordelijke eiser alsnog met documenten moet presenteren. Niet inzichtelijk is wanneer de genoemde beoordeling omtrent de laissez-passer heeft plaatsgevonden of wanneer deze presentatie alsnog zou gaan plaatsvinden of gepland is. Eiser was ten tijde van het vertrekgesprek niet juist geïnformeerd, omdat de laissez-passer kennelijk nog niet is afgegeven. Onduidelijk is verder of inmiddels wel een laissez-passer is afgegeven. De inlichtingen van verweerder zijn niet volledig.
De rechtbank stelt vast dat in het vertrekgesprek van 30 oktober 2025 door de regievoerder aan eiser is meegedeeld dat de Algerijnse autoriteiten eisers identiteit en nationaliteit hebben bevestigd en dat dit betekent dat een vlucht voor eiser mag worden aangevraagd. Ook is erop gewezen dat, zodra de vluchtgegevens bekend zijn, een laissez-passer voor eiser zal worden afgegeven. Er is dus geenszins aangegeven dat een laissez-passer is afgegeven, maar slechts dat dit zal gebeuren zodra een vlucht bekend is. In zoverre berust de beroepsgrond van eiser op een onjuiste lezing van het vertrekgesprek. Verder stelt de rechtbank vast dat in de voortgangsgegevens niet is vermeld dat de landverantwoordelijke eiser met documenten moet presenteren. Er is slechts vermeld dat de regievoerder aan eiser kan vragen of hij nog gepresenteerd wil worden en, als dit zo is, daarover de landverantwoordelijke van de Dienst Internationale Aangelegenheden (DIA) hierover kan informeren. De landverantwoordelijke zal eiser dan meenemen met de zaken die gepresenteerd worden. Verder is vermeld dat, als eiser de presentatie weigert de regievoerder de landverantwoordelijke DIA dan kan informeren en vervolgens een uittreksel Justitiële Documentatie kan opvragen, een beoordeling kan maken conform paragraaf C8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en na deze beoordeling een vlucht kan aanvragen. Ten slotte is vermeld dat voor de afgifte van een laissez-passer de afdeling DIA stukken aan de diplomatieke vertegenwoordiger moet doorsturen, waaronder vluchtgegevens, minimaal 10 werkdagen voor de vlucht.
Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de Algerijnse autoriteiten een laissez-passer kunnen verstrekken zonder een fysieke presentatie, en dat dit doorgaans kort voor de daadwerkelijke vlucht gebeurt. Gelet hierop en gelet op wat verder in rechtsoverweging 4.1.1 is vastgesteld, is er geen grond voor het oordeel dat verweerder eiser onjuist of onvolledig zou hebben geïnformeerd.
De beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser voert verder aan dat hij in het vertrekgesprek van 30 oktober 2025 heeft aangegeven lichamelijke klachten te hebben en dat hij geopereerd zou moeten worden. Kennelijk is navraag gedaan bij de medische dienst, maar daarvan bevinden zich geen stukken in het dossier. Terwijl de klachten die eiser noemt zouden kunnen leiden tot een situatie als bedoeld in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. De gegevens zijn nodig, zodat de rechtbank indien nodig opnieuw een oordeel zou kunnen vormen over het terugkeerbesluit.
De rechtbank stelt vast dat eiser, nadat hem is verteld dat voor hem een vlucht zal worden aangevraagd, aangeeft dat hij niet kan vertrekken omdat hij ziek is en een operatie nodig heeft. Nadat de regievoerder aangeeft daar niets over te hebben gehoord, geeft eiser aan een cyste te hebben en daardoor niet kan vertrekken, maar een operatie nodig heeft. Vervolgens heeft de regievoerder aangegeven navraag te zullen doen bij de medische dienst om na te gaan of dit bij hen bekend is en of dit eventueel een probleem is om te kunnen vliegen. De rechtbank stelt verder vast dat eiser in het vertrekgesprek van 12 november 2025 niet terugkomt op zijn gestelde medische problematiek. Eiser heeft ook niet onderbouwd, bijvoorbeeld met medische documenten, dat hij ziek zou zijn en een operatie zou moeten ondergaan. In de enkele stelling in het vertrekgesprek heeft verweerder geen aanleiding hoeven te zien hiermee rekening te houden en evenmin vormt dit een aanleiding voor de rechtbank om het terugkeerbesluit opnieuw te beoordelen. Dat er geen stukken in het dossier zitten over de eventuele navraag bij de medische dienst leidt daarbij niet tot een ander oordeel, omdat het eerst aan eiser is om zijn eventuele gezondheidsklachten te onderbouwen. De rechtbank wijst daarbij op de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaruit volgt dat het op de weg van eiser ligt om aannemelijk te maken dat hij detentieongeschikt is vanwege zijn medische klachten. Het is niet aan verweerder om het tegendeel te bewijzen.
In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser nog aangevoerd dat het op de weg van verweerder ligt om te onderzoeken of eiser ‘fit to fly’ is op het moment dat de geplande uitzetting zal plaatsvinden. Nu eiser echter niet heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijk last heeft van een medische aandoening, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat aannemelijk is geworden dat eiser vanwege een dergelijke aandoening niet zou kunnen worden uitgezet en daarom op dit moment zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn zou ontbreken.
De beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder aanvankelijk een vlucht had geboekt voor eiser om via Parijs naar Algerije terug te keren op 26 november 2025. Deze vlucht is geannuleerd, omdat de Franse autoriteiten geen toestemming gaven voor de transit. Aldus was eiser niet uitzetbaar gebleken. Verweerder heeft nu een vlucht geboekt voor 4 december 2025, via Rome. Niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten wel toestemming geven voor de transit. Het ligt op de weg van verweerder om hierover nadere informatie te verstrekken. Deze informatie is cruciaal voor de beoordeling of en in hoeverre zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn voor eiser bestaat. Als niet blijkt dat de toestemming is gegeven, moet worden geconcludeerd dat in het geval van eiser geen zicht op uitzetting bestaat.
De rechtbank ziet in het enkele feit dat de Franse autoriteiten geen toestemming hebben gegeven voor een transit van eiser op zijn reis naar Algerije geen aanleiding om te concluderen dat verweerder actief navraag zou moeten doen bij de Italiaanse autoriteiten met betrekking tot de transit. Zolang de Italiaanse autoriteiten niet melden geen toestemming te geven, mag verweerder ervan uitgaan dat die toestemming er impliciet is. Ook is hierin geen reden gelegen om te concluderen dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn zou ontbreken. Verweerder heeft kort na de annulering van de vlucht via Frankrijk een nieuwe vlucht geboekt, via Italië. Verder zal voor eiser een laissez-passer worden afgegeven kort voor zijn vertrek. Gelet op deze gegevens bestaat naar het oordeel van de rechtbank zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
De beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser heeft ten slotte een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 17 oktober 2024 (het arrest Ararat), waarin volgens eiser is bepaald dat een actuele beoordeling moet plaatsvinden in het kader van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. Een verwijzing naar een uitspraak die twee jaar oud is, kan niet als actueel worden aangemerkt.
Uit het arrest Ararat volgt dat de nationale autoriteit op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het Handvest, verplicht is om vóór de uitvoering van het terugkeerbesluit een geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken. Een dergelijke beoordeling moet onderscheiden en autonoom zijn ten opzichte van de refoulementbeoordeling die de nationale autoriteit ten tijde van de vaststelling van het terugkeerbesluit heeft verricht. Ook moet de geactualiseerde refoulementbeoordeling de nationale autoriteit in staat stellen om zich ervan te vergewissen dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokken derdelander bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Hierbij moet de nationale autoriteit rekening houden met elke wijziging van de omstandigheden en met alle nieuwe elementen die de betrokken derdelander aanvoert.
Hoewel het arrest Ararat verweerder opdraagt een refoulementsbeoordeling te maken en verweerder dat heeft nagelaten, leidt dat niet tot gegrondverklaring van het beroep. Daartoe is redengevend dat het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 heeft geoordeeld dat de rechterlijke autoriteit die bevoegd is om toezicht te houden op de inbewaringstelling of de voortzetting van de bewaring van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land, zich er zo nodig ambtshalve van moet vergewissen dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de verwijdering van die derdelander. Ingeval zij tot de slotsom komt dat dit beginsel zich verzet tegen de verwijdering, is zij overeenkomstig artikel 15, tweede lid, vierde alinea, en vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn verplicht die derdelander onmiddellijk in vrijheid te stellen. Hieruit leidt de rechtbank af dat zijzelf verplicht is een beoordeling te maken van het refoulementrisico, ongeacht of verweerder deze beoordeling (ook) heeft gemaakt.
Ten aanzien van die beoordeling wijst de rechtbank erop dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 30 november 2023 is beoordeeld en eisers beroep ongegrond is verklaard. Daarbij is geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade, waarbij allereerst van belang is dat eisers verklaringen over bedreiging niet geloofwaardig zijn en verder van belang is dat niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten niet bereid of in staat zouden zijn om eiser bescherming te bieden. Dit oordeel staat in rechte vast. Tijdens het vertrekgesprek van 30 oktober 2025 heeft eiser geen gewag gemaakt van problemen die hij bij terugkeer naar Algerije zou kunnen krijgen, anders dan een stelling met betrekking tot zijn gezondheid. In het vertrekgesprek van 12 november 2025 geeft eiser alleen te kennen dat hij niet terug kan, omdat hij moet vastzitten in Algerije. Eiser heeft deze verklaring niet verder onderbouwd of toegelicht. Later in het gesprek geeft eiser alleen nog aan dat hij niet terug kan, omdat hij niets heeft en dan een heel grote financiële vergoeding zou moeten krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit niet dat eisers uitzetting in strijd is met het verbod op refoulement. Verder is niet gesteld of gebleken dat de situatie in Algerije in het algemeen, dan wel voor eiser in het bijzonder, is verslechterd sinds de uitspraak van 30 november 2023. Daarom ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat een geactualiseerde refoulementsbeoordeling in de weg zou staan aan eisers uitzetting.
De beroepsgrond slaagt daarom niet.
8. Ook overigens ziet de rechtbank, ambtshalve toetsend, geen aanleiding om te oordelen dat de voortduring van de maatregel onrechtmatig is.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.