RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18880
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.M. Boesjes),
en
(gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de mvv-aanvraag van eiser om bij zijn broer (referent) in Nederland te verblijven. Eiser verblijft op dit moment in Ethiopië. Verweerder heeft besloten zijn aanvraag af te wijzen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet als jongvolwassene gezinsleven heeft met zijn ouders, broers en zussen, waaronder referent. Verweerder heeft onvoldoende betrokken dat de scheiding tussen eiser en zijn ouders gedwongen was. Ook heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen concluderen dat eiser zich zelfstandig moeiteloos kan handhaven. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 12 mei 2020, samen met zijn ouders en broer en zussen, een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij zijn broer, [referent] (referent). Referent, geboren op [datum 1] 2002 en met de Eritrese nationaliteit, is op 16 maart 2020 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van 22 juni 2018. Die vergunning is op 5 september 2023 omgezet in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Eiser stelt te zijn geboren op [datum 2] en de Eritrese nationaliteit te hebben.
Verweerder heeft eisers aanvraag, samen met die van zijn ouders en zussen en broer, op 23 juni 2021 afgewezen. Met het besluit van 28 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld
Ook het bezwaar van zijn ouders, broer en zussen is bij besluit van 28 maart 2025 ongegrond verklaard. Het tegen die afwijzing ingestelde beroep is bij de rechtbank geregistreerd met nummer NL22.19104 en wordt in een afzonderlijke uitspraak beoordeeld.
Verweerder heeft op 2 augustus 2025 verweerschrift ingediend. Eiser heeft op 4 en 6 augustus 2025 aanvullende gronden van beroep ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2025 op zitting behandeld. Referent is verschenen, bijgestaan door eisers gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep op de zitting aangehouden en partijen gevraagd om een aanvullend schriftelijk standpunt in te nemen.
Verweerder heeft op 20 augustus 2025 een aanvullend verweerschrift ingediend. Eiser heeft op 23 september 2025 bij aanvullende gronden gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek 21 oktober 2025 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Welke feiten en omstandigheden betrekt de rechtbank bij haar beoordeling?
3. Eiser is na het vertrek van referent uit het gezin tot januari 2024 met zijn ouders, broer, en zussen in Eritrea blijven wonen. In januari 2024 hebben zij geprobeerd illegaal naar Ethiopië te reizen om zich beschikbaar te stellen voor DNA-onderzoek in het kader van de nareis aanvraag bij referent. Eisers ouders, broer en zussen zijn tegengehouden en vastgezet door de Eritrese autoriteiten. Eisers ouders verblijven sindsdien in gevangenschap in Adi Abeto (Eritrea). Eisers broer en zussen zijn vanwege hun leeftijd vrijgelaten en verblijven bij hun oma in Habela (Eritrea). Eiser is als enige ontkomen en verblijft sindsdien alleen in Ethiopië. Op 18 maart 2025 heeft eiser een interview gehad in Addis Abeba.
Wat staat er in het bestreden besluit?
4. Verweerder wijst het bezwaar af als ongegrond. Eiser heeft volgens verweerder zijn identiteit en de familierechtelijke relatie met zijn ouders en referent niet aannemelijk gemaakt met de door hem overgelegde doopakte. Eiser heeft in het interview echter aannemelijke verklaringen afgelegd voor het ontbreken van (andere) identificerende documenten. Daarom krijgt eiser het voordeel van de twijfel en heeft verweerder op 18 maart 2025 een interview gehad met eiser. Uit dat interview volgt weliswaar dat de identiteit van eiser aannemelijk is gemaakt, maar ook dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor het jongvolwassenenbeleid. Ook is er geen sprake van beschermenswaardig gezinsleven tussen eiser en zijn ouders en tussen referent en eiser. Daarom wordt er geen nader onderzoek opgestart naar de familierechtelijke relatie.
Jongvolwassene
5. In geschil is of eiser als jongvolwassen meerderjarige familie- en gezinsleven heeft als bedoeld in artikel 8 van het EVRM met zijn ouders en zijn broers en zussen.
6. In het arrest A.A. t. Verenigd Koninkrijk overweegt het EHRM over toetsing van beschermenswaardig familieleven tussen meerderjarige kinderen en hun ouders en broers en zussen het volgende: 46. The Court recalls that in Bouchelkia v. France, 29 January 1997, § 41, Reports of Judgments and Decisions 1997I, when considering whether there was an interference with Article 8 rights in a deportation case, it found that “family life” existed in respect of an applicant who was 20 years old and living with his mother, step-father and siblings. In Boujlifa v. France, 21 October 1997, § 36, Reports 1997VI, the Court considered that there was “family life” where an applicant aged 28 when deportation proceedings were commenced against him had arrived in France at the age of five and received his schooling there, had lived there continuously with the exception of a period of imprisonment in Switzerland and where his parents and siblings lived in France. In Maslov, cited above, § 62, the Court recalled, in the case of an applicant who had reached the age of majority by the time the exclusion order became final but was living with his parents, that it had accepted in a number of cases that the relationship between young adults who had not founded a family of their own and their parents or other close family members also constituted “family life”.47. However, in two recent cases against the United Kingdom the Court has declined to find “family life” between an adult child and his parents. Thus in Onur v. the United Kingdom, no. , §§ 43-45, 17 February 2009, the Court noted that the applicant, aged around 29 years old at the time of his deportation, had not demonstrated the additional element of dependence normally required to establish “family life” between adult parents and adult children. In A.W. Khan v. the United Kingdom, no. 47486/06, § 32, 12 January 2010, the Court reiterated the need for additional elements of dependence in order to establish family life between parents and adult children and found that the 34-year old applicant in that case did not have “family life” with his mother and siblings, notwithstanding the fact that he was living with them and that they suffered a variety of different health problems. It is noteworthy, however, that both applicants had a child or children of their own following relationships of some duration.48. Most recently, in Bousarra, cited above, §§ 38-39, the Court found “family life” to be established in a case concerning a 24-year old applicant, noting that the applicant was single and had no children and recalling that in the case of young adults who had not yet founded their own families, their ties with their parents and other close family members could constitute “family life”.49. An examination of the Court’s case-law would tend to suggest that the applicant, a young adult of 24 years old, who resides with his mother and has not yet founded a family of his own, can be regarded as having “family life”.Deze uitgangspunten heeft het EHRM ook later herhaald.
7. Verweerder heeft in zijn beleid neergelegd hoe bij jongvolwassen meerderjarige kinderen wordt getoetst of sprake is van beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM met hun ouders. Dit beleid is gebaseerd op de hiervoor genoemde arresten. In het beleid staat dat meerderjarige kinderen beschermenswaardig gezinsleven uitoefenen met hun ouders zonder dat sprake moet zijn van bijkomende factoren van afhankelijkheid, als het meerderjarige kind:
- jongvolwassen is;
- met de ouder(s) in gezinsband samenleeft;
- niet in zijn eigen ouderhoud voorziet; en
- geen zelfstandig gezin heeft gevormd.
In Werkinstructie 2020/16 is de toepassing van dit jongvolwassenenbeleid door verweerder nader uitgewerkt. Daarin staat het volgende vermeld:
“Voor de beoordeling of de jongvolwassene met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleeft, is het moment van binnenkomst van de ouder(s) of de jongvolwassene in Nederland leidend en betrekt de IND ook uitdrukkelijk de gezinssituatie ten tijde van het vertrek van de ouder(s) of de jongvolwassene uit het land van herkomst (dan wel het land van bestendig verblijf). Daarnaast beoordeelt de IND of zich na binnenkomst van de ouder(s) of de jongvolwassene in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat van samenleving in gezinsverband niet langer sprake is. Als de scheiding tussen de jongvolwassene en zijn ouder(s) een vrijwillig karakter heeft, wordt deze anders gewogen dan wanneer de scheiding een gedwongen karakter heeft. Van een gedwongen scheiding is bijvoorbeeld sprake bij een vluchtsituatie.”
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet als jongvolwassene een beroep kan doen op dit beleid, omdat hij niet met zijn ouders in gezinsverband samenleeft en in zijn eigen onderhoud voorziet (het tweede en derde vereiste).
Standpunt eiser
8. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij niet kan worden aangemerkt als jongvolwassene. Eiser heeft immers bij zijn ouders gewoond totdat het gezin is gevlucht uit Eritrea. In het bestreden besluit heeft verweerder dit ook erkend. Eiser heeft zichzelf, na te zijn gescheiden van zijn ouders, broer en zussen, in veiligheid kunnen brengen in Ethiopië. Referent heeft eiser geholpen door hem maandelijks een bedrag te sturen waarvan hij kan leven in Ethiopië. Eiser heeft, geheel tegen zijn bedoeling en zin in, door te vluchten, zijn gezinsleven niet verder kunnen uitoefenen. Dit kan hem niet worden tegengeworpen. Daarom dient te worden aangenomen, dat hij bij voortduring in gezinsverband leeft. Dit had hij ook gedaan als het zijn ouders ook was gelukt om te vluchten naar Ethiopië. Eiser heeft stappen gezet naar zelfstandigheid, enkel omdat hij gedwongen is gescheiden van zijn ouders. Ook is hij in vele opzichten afhankelijk van de financiële en emotionele steun en zorg van referent. Ook kan verweerder eiser niet tegenwerpen dat hij stappen naar zelfstandigheid heeft gezet omdat hij op het platteland verbleef waar hij dieren verzorgde. Dit is in Eritrea gebruikelijk vanaf een jonge leeftijd. Verweerder werpt eiser dus ten onrechte tegen dat hij zelf in zijn onderhoud kan voorzien, omdat hij maandelijks geld ontvangt van referent. Gelet hierop voldoet eiser aan de criteria van het jongvolwassenenbeleid en is er dus sprake van gezinsleven tussen eiser, referent, en hun ouders. Eiser is immers 20 jaar oud, ongetrouwd, heeft geen eigen gezin en heeft altijd met zijn ouders in gezinsverband gewoond.
Standpunt verweerder
9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Hoewel eiser tot het vertrek uit Eritrea bij zijn ouders heeft gewoond, verblijft hij nu meer dan een jaar alleen in Ethiopië. Dat hij niet meer in gezinsverband kan samenwonen met zijn ouders, omdat zij in gevangenschap zitten in Eritrea, maakt niet dat hierdoor zijn stappen naar zelfstandigheid niet mogen worden meegewogen in de beoordeling of hij nog is aan te merken als jongvolwassene. Hieruit valt namelijk op te maken dat eiser op dagelijkse basis voor zichzelf zorgt en hierbij niet direct de zorg van een ander nodig heeft. Referent heeft financiële transacties overgelegd. Met het overzicht is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat referent eiser financieel ondersteunt. Op welke manier eiser zijn inkomsten verkrijgt, is niet aannemelijk gemaakt, maar wat wel blijkt is dat hij met deze inkomsten zelfstandig zijn dagelijkse kosten kan betalen. Hij kan met behulp van zijn financiële middelen zelf zijn boodschappen doen, zijn huur betalen en voor zijn dagelijkse levensonderhoud zorgen. Verweerder concludeert daarom dat eiser zich al ruim een jaar zelfstandig moeiteloos heeft kunnen handhaven in Ethiopië. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat terecht is geoordeeld dat eiser niet meer in gezinsverband samenleeft met zijn ouders. Er wordt overwogen dat eiser niet volledig voorzag in zijn eigen onderhoud toen hij bij zijn ouders in Eritrea woonde. Wel toont de omstandigheid dat hij alleen verbleef op het platteland aan dat al stappen naar zelfstandigheid zijn gezet. Ook het feit dat hij zijn ouders langdurig heeft geholpen met de landbouwgrond en het verzorgen van de dieren laat al een bepaalde mate van zelfstandigheid zien. Verweerder volgt wel dat eiser geen zelfstandig gezin heeft gevormd. Beoordeling
10. De rechtbank buigt zich over de vraag of – gelet op de vluchtsituatie van eiser – verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet met zijn ouders, broer en zussen in gezinsband samenleeft, zich zelfstandig en moeiteloos heeft weten te handhaven en in zijn eigen onderhoud voorziet. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 29 mei 2024 onder verwijzing naar de jurisprudentie van het EHRM heeft benadrukt dat de beoordeling of een meerderjarig kind als jongvolwassene kan worden aangemerkt een op het geval toegespitste beoordeling betreft. Hierbij dient verweerder specifiek rekening te houden met de bijzondere positie van vluchtelingen en subsidiair beschermden die een vluchtachtergrond hebben. Verweerder kan hiermee rekening houden door omstandigheden die maken dat een meerderjarig kind niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid, niet tegen te werpen als die omstandigheden alleen het gevolg zijn van een vluchtsituatie. Dit betekent volgens de Afdeling dat als een meerderjarig kind alleen noodgedwongen de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te kunnen houden, dat geen zelfstandig of moeiteloos handhaven is.Ook dient verweerder in zijn beoordeling van het vereiste dat het meerderjarig kind niet in zijn eigen onderhoud voorziet kenbaar te betrekken wat betrokkenen aanvoeren als aanleiding en reden voor het voorzien in eigen onderhoud, ook als dit niet een vluchtgerelateerde omstandigheid is. Dit type omstandigheden kan namelijk ook informatie geven voor het antwoord op de vraag of het meerderjarig kind daadwerkelijk financieel onafhankelijk is van zijn ouder(s).
De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat eiser is gevlucht uit Eritrea en hij gedwongen is gescheiden van zijn ouders. Eiser heeft verklaard dat hij tot aan het vertrek uit Eritrea in gezinsverband met zijn ouders en broer en zussen heeft gewoond en samen met hen heeft geprobeerd om Eritrea te verlaten. Verweerder heeft dat niet weersproken. Gelet op de gedwongen scheiding heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat de gezinsband is verbroken enkel omdat eiser feitelijk niet meer bij zijn ouders in gezinsverband verblijft. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat eiser zich zelfstandig en zonder moeite kan handhaven én in zijn eigen levensonderhoud voorziet. Eiser heeft verklaard dat hij in Ethiopië een huis huurt en dat referent hem maandelijks € 100,- tot € 150,- stuurt. Eiser doet op bepaalde tijden boodschappen om te voorkomen dat hij bij een razzia wordt opgepakt en gedwongen wordt teruggestuurd naar Eritrea. Sinds de scheiding met zijn ouders leeft eiser een teruggetrokken bestaan uit angst om te worden opgepakt. Eiser werkt ook niet in Eritrea. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat eiser de noodzakelijke stappen heeft genomen om zichzelf staande te kunnen houden, maar niet blijkt dat de hierboven geschetste omstandigheden blijk geven van zelfstandig of moeiteloos handhaven. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat eiser zich vanwege de vluchtsituatie in Ethiopië in een kwetsbare positie bevindt. Het is eiser niet toegestaan om te werken en ook bestaat er, zoals eiser ook heeft verklaard, een groot risico te worden uitgezet.
Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van beschermenswaardig familieleven van eiser met zijn ouders en zijn broers en zussen. Deze beroepsgrond slaagt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit ook gevolgen voor de toetsing of eiser beschermenswaardig familieleven heeft met referent. Zoals volgt uit de aangehaalde jurisprudentie van het EHRM heeft een jongvolwassene die aan bepaalde voorwaarden voldoet zoals hier aan de orde niet alleen beschermenswaardig familieleven met zijn ouders, maar ook met zijn broers en zussen (siblings) die tot dat gezin behoren. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom dat in deze zaak anders is. In dat kader is van belang dat eiser louter vanwege het feit dat zijn ouders aan de grens zijn vastgezet geen onderdeel meer uitmaakt van het gezin dat in zijn geheel om verblijf heeft verzocht bij referent, die tot zijn vertrek uit Eritrea ook tot dat gezin behoorde.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van vier weken.
13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder bepaalt de rechtbank dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.