RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres 1] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.19104
v-nummer: [nummer 1] en,
[eiser 1] , eiser
v-nummer: [nummer 2] en,
[eiseres 2] , eiseres
v-nummer: [nummer 3] en,
[eiseres 3] , eiseres
v-nummer: [nummer 4] en,
[eiseres 4] , eiseres
v-nummer: [nummer 5] en,
[eiser 2] , eiser
v-nummer: [nummer 6] ,
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. R.M. Boesjes),
en
(gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor verblijf van eisers bij hun zoon en broer (referent). Zij zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat nu de ouders, broer en zussen van referent niet beschikbaar zijn voor DNA-onderzoek de familierechtelijke relatie tussen hen en referent niet kan worden vastgesteld. Omdat niet duidelijk is of, en zo ja wanneer de ouders van referent weer vrijkomen uit detentie hoeft verweerder de beoordeling van de aanvraag niet langer aan te houden. Mochten eisers in de toekomst wel beschikbaar zijn voor DNA-onderzoek dan kan een nieuwe (nareis)aanvraag worden gedaan waarin de familierechtelijke relatie alsnog met een DNA-onderzoek kan worden vastgesteld. De vraag of bij de beoordeling van die volgende (nareis)aanvraag moet worden uitgegaan van de minderjarigheid van referent valt buiten de omvang van deze procedure. Deze vraag kan in die opvolgende aanvraag procedure aan de orde worden gesteld. De rechtbank zal daarom in deze procedure geen prejudiciële vragen stellen. Het beroep is daarom ongegrond.
Procesverloop
2. Eisers hebben, samen met hun zoon en broer, [naam] op 12 mei 2020
een aanvraag ingediend voor verblijf bij hun zoon en broer, [referent] (referent). Hij is geboren op [datum 1] 2002 en heeft de Eritrese nationaliteit. Referent is op 16 maart 2020 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van 22 juni 2018. Op 5 september 2023 is referent is het bezit gesteld voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
Verweerder heeft de aanvraag van eisers bij besluit van 23 juni 2021 (het primaire besluit) afgewezen.
Bij besluit van 28 maart 2025 ( het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd. Eisers hebben daartegen beroep ingesteld.
Ook heeft verweerder het bezwaar van [naam] op 28 maart 2025 ongegrond verklaard. Het daartegen gerichte beroep met zaaknummer NL25.18880 wordt in een andere uitspraak beoordeeld.
Verweerder heeft op 1 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2025 op zitting behandeld. Eisers waren niet aanwezig en hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Referent was aanwezig en als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst en partijen gevraagd om een aanvullend standpunt in te nemen.
Verweerder heeft op 20 augustus 2025 een aanvullend verweerschrift ingediend. Eisers hebben op 23 september 2025 bij aanvullende gronden gereageerd.
De rechtbank heeft het onderzoek op 21 oktober 2025 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. [eiseres 1] (hierna: eiseres), geboren op [datum 2] 1980 en [eiser 1]
(hierna: eiser), geboren op [datum 2] 1970, zijn de ouders van referent. [eiseres 2] geboren op [datum 2] 2006, [eiseres 3] geboren op [datum 2] 2010, [eiseres 4] geboren op [datum 2] 2012 en [eiser 2] geboren op [datum 2] 2016, zijn hun kinderen. Zij hebben allen de Eritrese nationaliteit en vragen als gezin verblijf bij referent.
In januari 2024 hebben eisers, samen met [naam] , geprobeerd om illegaal naar Ethiopië te reizen om daar DNA-onderzoek te laten doen naar hun familierelatie met referent. Zij zijn toen aan de grens tegengehouden en vastgezet door de Eritrese autoriteiten. Eiseres en eiser verblijven sindsdien in gevangenschap in Adi Abeto (Eritrea). De kinderen zijn vanwege hun jonge leeftijd vrijgelaten en verblijven sindsdien bij hun oma in Hebala (Eritrea). [naam] heeft weten te ontkomen en zit sindsdien in Ethiopië.
Wat staat er in het bestreden besluit?
4. Verweerder heeft de door referent in bezwaar overgelegde doopaktes van zijn broer
en zussen onderzocht. Deze zijn hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. Er wordt rekening gehouden met het feit dat er in Eritrea weinig geboorteaktes worden afgegeven en de broer en zussen van referent vanwege hun minderjarigheid niet in het bezit kunnen zijn van een Eritrese identiteitskaart. Verweerder geeft referent en eisers het voordeel van de twijfel omdat hij de identiteit van zijn ouders wel aannemelijk heeft gemaakt en hij volgbare verklaringen heeft gegeven voor het ontbreken van identiteitsdocumenten van zijn broers en zussen. De familierechtelijke relatie tussen referent en zijn broer en zussen is echter niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft daarom nader onderzoek aangeboden door middel van een DNA onderzoek in Ethiopië. Eisers zijn alleen niet beschikbaar voor dit onderzoek. Verweerder heeft eisers ruim de tijd geboden. Eisers hebben niet toegelicht binnen welke termijn zij verwachten Eritrea uit te reizen. Het is noodzakelijk dat eisers Eritrea uitreizen zodat nader onderzoek kan plaatsvinden. Eisers zullen Eritrea hiervoor moeten verlaten omdat het opstarten van nader onderzoek in Eritrea niet mogelijk is. Verweerder erkent dat de situatie van eisers moeilijk is maar nu geen nader onderzoek kan plaatsvinden is de familierechtelijke relatie niet aangetoond. Verweerder komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling. Het horen van referent heeft daarom op dit moment geen toegevoegde waarde.
Heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen?
5. Eisers voeren aan dat de gezinsband tussen hen en referent is aangetoond. Referent heeft de originele doopakten van de vier broers en zussen overgelegd. Op alle doopakten staat een recente pasfoto. Ook staat op alle vier de doopakten de naam van de ouders van referent genoemd. Hiermee heeft referent aangetoond dat hij dezelfde ouders heeft als eisers, zodat de gezinsband is aangetoond. Eisers kunnen geen andere identificerende documenten overleggen. Eisers voeren aan dat zij hun uiterste best hebben gedaan om Eritrea te verlaten, zodat zij beschikbaar zouden zijn voor nader onderzoek en zich met referent in Nederland zouden kunnen herenigen. Aangezien zij Eritrea niet legaal kunnen verlaten, hebben zij geprobeerd om op illegale wijze het land te verlaten. Helaas is het gezin daarbij opgepakt en gedetineerd. Alleen de oudste broer is ontkomen en hij verblijft sinds januari 2024 in Ethiopië. Het is dus niet aan de gezinsleden van referent te wijten dat zij momenteel niet beschikbaar zijn voor onderzoek. Referent hoopt dat zijn ouders dit jaar worden vrijgelaten, zodat zij naar huis kunnen terugkeren en alsnog naar Ethiopië kunnen reizen. Eisers voeren ook aan dat verweerder nader onderzoek kan verrichten naar de familierechtelijke relatie door referent te horen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eisers heeft kunnen afwijzen. Verweerder heeft volgens vaste jurisprudentie de overgelegde documenten onvoldoende kunnen vinden voor het aannemen van de familieband, maar eisers wel het voordeel van de twijfel gegeven en aan hen de mogelijkheid geboden DNA-onderzoek te laten doen in de ambassade van Ethiopië. Eisers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat niet aan hen te wijten valt dat zij niet beschikbaar zijn voor DNA-onderzoek. Verweerder heeft ook niet betwist dat de ouders van referent in detentie zitten en dat het niet mogelijk is om contact met hen te krijgen. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat de omstandigheid dat eisers niet beschikbaar zijn voor onderzoek, ook al ligt dat buiten hun macht, tot gevolg heeft dat de familierechtelijke relatie al langere tijd en ook nog op dit moment niet kan worden vastgesteld. De rechtbank volgt verder verweerders standpunt dat hij de besluitvorming over de aanvraag niet langer hoeft aan te houden, nu er geen concrete aanknopingspunten zijn dat of wanneer eisers mogelijk vrijkomen.
De stelling van eisers dat verweerder referent had moeten horen over de familierechtelijke relatie volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt dat een familieband kan worden aangetoond met documenten of met DNA-onderzoek. De rechtbank begrijpt dat eisers zich in een moeilijke situatie bevinden, maar zoals verweerder terecht aangeeft kan bij gebrek aan documenten zonder DNA-onderzoek de familierechtelijke relatie niet worden aangetoond. Van een onzorgvuldigheid is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Van welke leeftijd van referent moet worden uitgegaan bij een (mogelijk) opvolgende aanvraag?
6. Op de zitting is de vraag opgeworpen of de omstandigheden van eisers voldoende bijzonder zijn om in dit geval, in afwijking van het beleid, bij een nieuwe aanvraag uit te gaan van de minderjarigheid van referent in het kader van evenredigheid. De rechtbank heeft partijen de gelegenheid gegeven om aanvullend te reageren op deze vraag.
Eisers voeren aan dat indien bij een volgende aanvraag wordt uitgegaan van de meerderjarigheid van referent, dit getuigt van onevenredige hardheid. Zij kunnen er niets aan doen dat zij niet beschikbaar zijn voor nader onderzoek. Eisers verzoeken verweerder af te wijken van het beleid en doen een beroep op het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Eisers stellen dat bij een volgende aanvraag moet worden uitgegaan van het peilmoment ten tijde van de datum asielaanvraag van referent. Zij verwijzen hiervoor naar Europese jurisprudentie. Verweerder heeft geen beleid hoe om te gaan met opvolgende aanvragen van ex-alleenstaande minderjarige vreemdelingen die door schrijnende omstandigheden geen gezinshereniging krijgen met hun achtergebleven familie. Eisers hebben de rechtbank verzocht hierover prejudiciële vragen te stellen.
Verweerder heeft zich op de zitting en in zijn aanvullend verweer op het standpunt gesteld dat uit de Europese en nationale jurisprudentie volgt dat een opvolgende aanvraag van een aanvankelijk alleenstaande minderjarige referent moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden ten tijde van de aanvraag. Dit betekent dat verweerder bij een volgende aanvraag rekening moet houden met de omstandigheid dat referent niet langer minderjarig is. Dit brengt met zich mee dat verweerder in het kader van bijzondere hardheid geen rekening kan houden met het feit dat referent bij een opvolgende aanvraag meerderjarig is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het arrest van het Hof van Justitie BMM e.a. volgt dat de datum van indiening van het verzoek om gezinshereniging het uitgangspunt is voor het antwoord op de vraag of een vreemdeling voldoet aan het leeftijdsvereiste. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt ook dat verzoeken om gezinshereniging met alleenstaande minderjarige referenten met voorrang en nodige urgentie moeten worden behandeld. Gelet hierop stelt verweerder dat het niet van onredelijke hardheid getuigt dat verweerder na drie jaar de beschikking heeft genomen terwijl juist van belang is dat deze verzoeken met nodige urgentie behandeld worden. Verweerder ziet daarom geen aanleiding om in het kader evenredigheid of bijzondere hardheid af te wijken van het voornoemde uitgangspunt.
De rechtbank stelt voorop dat bij eisers sprake is van overmacht. Dat zij al enige tijd en ook op dit moment niet beschikbaar zijn voor DNA-onderzoek kan hen niet worden verweten. Gelet op de onder 4.1. genoemde redenen betekent dat echter niet dat verweerder de aanvraag nog langer aan dient te houden. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu in deze procedure prejudiciële vragen te stellen over de vraag of de omstandigheden van eisers voldoende bijzonder genoeg zijn om bij een opvolgende aanvraag uit te gaan van de minderjarigheid van referent in het kader van evenredigheid. Die vraag ligt in deze procedure namelijk niet voor. Zoals de rechtbank heeft toegelicht is van een onzorgvuldigheid in deze procedure niet gebleken. Op het moment dat eiseres en eiser beschikbaar zijn voor DNA-onderzoek en op grond daarvan een nieuwe aanvraag indienen, kunnen zij in die procedure de vraag voorleggen of dan moet worden uitgegaan van de minderjarigheid van referent.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.