RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38543
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.J. Schüller)
en
(gemachtigde: mr. T. Pourjalili).
1. Eiseres is afkomstig uit Iran. Zij heeft een asielaanvraag ingediend. Zij stelt dat zij afvallig is van de islam en bekeerd is tot het christendom. Bij terugkeer naar Iran vreest zij daarom voor haar leven. Zij stelt dat zij daarom als vluchteling moet worden aangemerkt, dan wel als persoon die bij terugkeer naar haar land van herkomst een reëel risico loopt op ernstige schade.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Verweerder gelooft dat eiseres afvallig is van de islam, maar vindt dat eiseres zich in Iran terughoudend kan opstellen. Verweerder gelooft niet dat eiseres is bekeerd tot het christendom.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de bekering van eiseres tot het christendom ongeloofwaardig is. Verweerder heeft zich weliswaar op het standpunt kunnen stellen dat eiseres over haar motief voor en proces van haar bekering vaag en algemeen heeft verklaard, maar verweerder heeft de elementen kennis en activiteiten onvoldoende betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de bekering. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten aanzien van de afvalligheid van eiseres niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom van haar terughoudendheid mag worden verlangd. Tenslotte heeft verweerder niet gemotiveerd waarom eiseres bij terugkeer naar Iran geen risico loopt vanwege toegedichte bekering of toegedichte afvalligheid.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 13 juli 2023 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 11 augustus 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres stelt de Iraanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1987. Zij legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Rond 2020 heeft eiseres definitief afstand genomen van de islam. Zij was op zoek naar een andere religie. In het jaar voor haar vertrek naar Nederland heeft eiseres regelmatig telefonisch contact gehad met Iraanse vrienden die in Nederland wonen en christen zijn. Via hen heeft eiseres kennisgemaakt met het concept van de ‘levende god’. Op 3 december 2022 is eiseres met een visum naar Nederland gereisd, omdat zij meer wilde weten over de levende god. In Nederland heeft eiseres zich bekeerd tot het christendom. Eiseres heeft op 13 juli 2023 asiel aangevraagd in Nederland, omdat zij bij terugkeer vreest voor vervolging, dan wel ernstige schade wegens haar afvalligheid van de islam en haar bekering tot het christendom.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. Afvalligheid
3. Bekering tot het christendom
Verweerder vindt het eerste en tweede asielmotief geloofwaardig, maar het derde asielmotief niet. Verweerder vindt dat de verklaringen van eiseres over haar bekering geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiseres verklaart volgens verweerder namelijk vaag en onpersoonlijk over haar kennismaking met en interesse in het concept van de ‘levende god’. Ook verklaart eiseres weinig persoonlijk en authentiek over de rust die zij ervoer tijdens de telefoongesprekken met haar vrienden. Tevens verklaart eiseres volgens verweerder algemeen en onpersoonlijk over de woorden van haar vrienden en waarom deze zo hoopgevend waren. Daarnaast vindt verweerder dat eiseres algemeen, weinig persoonlijk en niet authentiek verklaart over haar eerste week in Nederland en haar beslissing om te bekeren. Verder vindt verweerder dat eiseres algemeen en weinig persoonlijk verklaart over de rol van haar vrienden in haar bekering. Eiseres verklaart ook vaag en algemeen over de wijze waarop zij haar zussen heeft geëvangeliseerd. Eiseres voldoet om deze redenen niet aan artikel 31, zesde lid, onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bovendien vindt verweerder dat eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en dat zij daarvoor geen goede verklaring heeft. Daarom voldoet eiseres ook niet aan artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw. Ten aanzien van de afvalligheid stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres niet in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten zal komen te staan en dat van haar terughoudendheid mag worden verlangd.
Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw. Verweerder heeft aan eiseres ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
Heeft verweerder de bekering van eiseres tot het christendom ongeloofwaardig mogen vinden?
Beroepsgronden
5. Eiseres heeft verweerders conclusie dat de bekering van eiseres tot het christendom ongeloofwaardig is, gemotiveerd betwist. Eiseres voert, samengevat, aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom haar verklaringen over het bidden tot God en wat zij bedoelt met het concept ‘levende god’ algemeen zijn. Eiseres stelt dat zij heeft verklaard over haar trauma’s, de spanning en angsten, en dat zij met haar kennismaking met de ‘levende god’ rust en ontlading ervoer. De enkele stelling van verweerder dat hierdoor niet is gebleken van een diepgewortelde overtuiging, is onvoldoende. Eiseres verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam. Verweerder stelt daarnaast te hoge eisen aan de nauwkeurigheid en gerichtheid van de verklaringen van eiseres. Zij heeft uitvoerig verklaard over haar kennismaking met de levende god. Verweerder spreekt in het bestreden besluit ten onrechte van een bekering in één week. De geloofsovertuiging van eiseres is de maanden daaraan voorafgaand gestaag gegroeid. Verweerder heeft dat miskend. Tenslotte heeft verweerder de activiteiten van eiseres in Nederland niet betrokken. Eiseres heeft bij de zienwijze en in beroep getuigenverklaringen overgelegd van diverse kerken. Daarin wordt ook ingegaan op feitelijke handelingen van eiseres. Verweerder hecht daaraan, in strijd met Werkinstructie 2022/3, ten onrechte geen waarde. Verweerder is in het bestreden besluit tenslotte niet ingegaan op de stelling van eiseres dat zij goede redenen had om niet zo snel mogelijk een asielaanvraag in te dienen.
Werkinstructie 2022/3
6. In Werkinstructie 2022/3 is neergelegd hoe verweerder de geloofwaardigheid van een bekering toetst. Daarin wordt vermeld dat de IND toetst of aannemelijk is dat de door de vreemdeling gestelde oprechte bekering gebaseerd is op een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Indien dat aannemelijk is gemaakt, wordt uitgegaan van een geloofwaardige bekering. Bij deze beoordeling is de weging van drie elementen van belang, te weten:
- De motieven voor en het proces van bekering;
- De kennis van het nieuwe geloof, en;
- De activiteiten, zoals bezoeken aan religieuze bijeenkomsten die een persoon onderneemt binnen de nieuwe geloofsovertuiging en het effect van de veranderingen.
Hierbij maakt verweerder een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Primair wordt gekeken naar de eigen verklaringen van de vreemdeling, maar ook andere informatie in het dossier (zoals verklaringen van derde partijen) wordt betrokken. In het algemeen kan worden gesteld dat binnen de beoordeling van de drie elementen het zwaartepunt ligt op de antwoorden van de vreemdeling over de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling. Indien er ten aanzien van één element minder goede verklaringen zijn afgelegd, kunnen de andere elementen dit compenseren mits de vreemdeling in staat is daarover wel verklaringen af te leggen die overtuigend genoeg zijn om de zwakkere elementen te compenseren.
Motieven voor en proces van bekering
7. Niet in geschil is dat de gestelde bekering van eiseres een bekering is met passieve en actieve elementen. In Werkinstructie 2022/3 is hierover het volgende neergelegd: “Ten aanzien van het motief voor en proces van bekering dient de vorm van de bekering voor ogen gehouden te worden. Bij een (enkel) passieve bekering zijn de motieven voor en het proces van bekering vaak anders dan bij een actieve bekering.”
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen vinden dat eiseres de motieven voor en het proces van haar bekering onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft eiseres allereerst mogen tegenwerpen dat zij in haar verklaringen geen inzicht heeft gegeven in hoe de telefoongesprekken met haar vrienden, de algemene adviezen van haar vrienden en de gestelde tijdelijke rust die eiseres ervoer, hebben geleid tot een diepgaande belangstelling die eiseres heeft willen doen bekeren tot het christendom. Hoewel verweerder het niet vreemd vindt dat eiseres houvast en ondersteuning zocht bij haar vrienden in het kader van haar trauma en ervaringen met de islam, geeft eiseres weinig inzicht in hoe de interesse in een levende god heeft geleid tot een behoefte om naar Nederland te komen en haarzelf vervolgens te willen bekeren tot het christendom. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder. Dat eiseres heeft verklaard rust en veiligheid te ervaren tijdens de gesprekken over de levende god, heeft verweerder algemeen kunnen vinden. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 19 september 2024, maakt het voorgaande niet anders. Die uitspraak ziet op de geloofwaardigheidsbeoordeling van een passieve bekering, terwijl bij eiseres sprake is van een bekering met passieve en actieve elementen.
Ten tweede heeft verweerder eiseres mogen tegenwerpen dat zij onvoldoende heeft verklaard over waarom één week in Nederland voor haar voldoende was om haarzelf te bekeren tot het christendom. Volgens verweerder heeft eiseres niet concreet gemaakt hoe alles plots op zijn plek viel in Nederland. Uit haar verklaringen wekt eiseres de indruk dat zij de week in Nederland passief heeft doorleefd. Hoe deze week dan heeft geleid tot een diepgewortelde, innerlijke overtuiging, komt volgens verweerder niet naar voren. De rechtbank volgt ook dit standpunt van verweerder. Verweerder heeft daarbij kunnen tegenwerpen dat eiseres onvoldoende inzicht heeft geboden in hoe de droom die zij stelt te hebben gehad in Iran opeens betekenis kreeg door het luisteren naar christelijke liederen in Nederland. Wat eiseres hierover verder heeft aangevoerd, doet niet af aan het standpunt van verweerder dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij haar beweegredenen en gedachten over de levende god in Nederland heeft willen omzetten tot een bekering tot het christendom.
Kennis en activiteiten
8. Hoewel verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres over het motief voor en proces van bekering onvoldoende persoonlijk en concreet heeft verklaard, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de andere twee elementen onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling of sprake is van een geloofwaardige bekering. De rechtbank stelt vast dat verweerder het tweede element, te weten de kennis van eiseres van het nieuwe geloof, niet kenbaar heeft beoordeeld in het bestreden besluit. Daarnaast volgt de rechtbank eiseres in haar stelling dat verweerder haar verklaringen en de verklaringen van derden over de activiteiten van eiseres met betrekking tot het christelijk geloof, onvoldoende heeft meegewogen.
De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder in het bestreden besluit een verkeerde uitleg heeft gegeven aan Werkinstructie 2022/3. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de door eiseres overgelegde getuigenverklaringen niet opwegen tegen de ongeloofwaardig geachte verklaringen van eiseres, omdat deze overwegend spreken van feitelijke handelingen en daarom weinig tot geen inzicht bieden in de geloofsgroei van eiseres. In de Werkinstructie is echter neergelegd dat er juist meer waarde wordt toegekend aan getuigenverklaringen die feitelijke informatie verstrekken over de rol van de vreemdeling binnen de kerkelijke organisatie dan aan getuigenverklaringen waarin een eigen oordeel wordt gegeven over de oprechtheid van de bekering van de vreemdeling.
Het standpunt van verweerders gemachtigde ter zitting dat verweerders conclusie over de getuigenverklaringen alsnog deugdelijk is gemotiveerd, volgt de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder inhoudelijk had moeten reageren op de door eiseres overgelegde getuigenverklaringen. Uit Werkinstructie 2022/3 volgt dat verweerder gemotiveerd moet ingaan op de inhoud van de getuigenverklaringen, als de verklaringen nieuwe inzichten bieden op het bestaande dossier of een bevestiging zijn van hetgeen de vreemdeling heeft verklaard. Eiseres is al een aantal jaar in Nederland en heeft bij de zienswijze en in beroep verscheidene getuigenverklaringen van kerken overgelegd. Daaruit blijkt dat zij sinds haar verblijf in Nederland is gedoopt en naar de kerk gaat. Ook worden daarin feitelijke handelingen van eiseres met betrekking tot haar christelijk geloof uitgebreid omschreven. Zo staat er in de getuigenverklaringen van meneer [naam 1] (regioleider van de [geloofsgemeenschap 1] in [plaats 1] ) dat eiseres sinds haar komst in Nederland een trouwe deelneemster is aan hun huiskerk. Ook staat er dat eiseres evangeliseert, aanbiddingsbijeenkomsten leidt en dat zij begeleidingsgesprekken voert met diverse mensen. Eiseres is bovendien uitgenodigd voor een leiderschapstraining omdat zij zich dusdanig heeft ontwikkeld in haar geloof, dat meneer [naam 1] potentie in haar ziet als een toekomstig leidster binnen de geloofsgemeenschap. Ook meneer [naam 2] (directeur van de [geloofsgemeenschap 2] ) schrijft over de evangelisatie-activiteiten van eiseres. Daarnaast getuigt meneer [naam 3] (pastor van Iraans kerkelijk werk in [plaats 2] ) ervan dat eiseres deelneemt aan zijn wekelijkse Bijbelstudie. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de getuigenverklaringen geen nieuwe inzichten bieden, dan wel een bevestiging zijn van hetgeen eiseres zelf heeft verklaard. De verklaringen van derden die zij heeft overgelegd gaan vooral over haar activiteiten en geloofsgroei sinds haar komst naar Nederland terwijl haar eigen verklaringen vooral zien op de motieven voor en proces van bekering tot de eerste week in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook niet op het standpunt kunnen stellen dat de getuigenverklaringen volledig gebaseerd zijn op de eigen verklaringen van eiseres. Om deze redenen heeft verweerder het element ‘activiteiten’ ondeugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
De aanvraag is niet zo spoedig mogelijk ingediend
9. Eiseres voert aan dat zij een verschoonbare reden heeft voor het feit dat zij haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Zij was bang dat zij in het kader van de Dublinverordening naar Italië zou worden gestuurd en dat Italië haar vervolgens zou uitzetten naar Iran.
De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat eiseres geen goede reden heeft aangevoerd waarom zij de asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de vrees van eiseres om teruggestuurd te worden naar Italië ook geen verschoonbare reden is voor het laat indienen van een asielaanvraag in Nederland. De rechtbank volgt verweerder ook in dat standpunt. Eiseres is met een visum op 3 december 2023 naar Nederland gereisd. Het visum liep af op 22 december 2022. Eiseres heeft daarna nog ongeveer zeven maanden gewacht voordat zij asiel heeft aangevraagd. Niet valt in te zien waarom zij niet direct na haar bekering (in december 2022), dan wel direct na het aflopen van haar visum om internationale bescherming heeft gezocht. Gelet op die omstandigheden heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat zij bewust de keuze heeft gemaakt om haar asielaanvraag uit te stellen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eiseres niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw heeft voldaan.
Tussenconclusie
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verklaringen van eiseres onvoldoende samenhangend en aannemelijk zijn, voor zover de verklaringen zien op haar motieven voor en proces van (het begin van) haar bekering. Verweerder heeft echter bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van de bekering de andere twee elementen onvoldoende betrokken en niet kenbaar gewogen. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom deze twee elementen haar verklaringen over het eerste element niet kunnen compenseren. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals in de Werkinstructie wordt omschreven, een bekering niet altijd een duidelijk beginpunt heeft en het een doorgaande verandering kan zijn die steeds meer tot verdieping kan komen. Niet in alle gevallen is er direct sprake van een diepgewortelde innerlijke overtuiging, maar kan er sprake zijn van geloofsgroei. Het voorgaande betekent dat verweerder de bekering van eiseres opnieuw moet beoordelen, en daarbij van ieder element een inzichtelijke beoordeling moet maken, om vervolgens de mogelijkheid tot compensatie te beoordelen. Verweerder dient hierbij alle relevante documenten kenbaar te betrekken.
11. De rechtbank overweegt verder dat de omstandigheid dat eiseres niet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder d van de Vw voldoet, op zichzelf geen reden vormt om het asielrelaas ongeloofwaardig te achten. Uit artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn volgt immers niet dat verweerder steeds zonder meer tot de conclusie kan komen dat een asielmotief ongeloofwaardig is, als aan één of meerdere van de cumulatieve voorwaarden niet wordt voldaan. Verweerder moet bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielmotief steeds alle omstandigheden in samenhang beoordelen. Nu de tegenwerping van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw een motiveringsgebrek bevat en dit betrekking heeft op de kern van de geloofwaardigheidsbeoordeling van de bekering, is de rechtbank van oordeel dat de geloofwaardigheidsbeoordeling niet in stand kan blijven.
Heeft verweerder het risico voor eiseres in verband met haar afvalligheid juist beoordeeld?
12. Eiseres voert aan dat verweerder het risico bij terugkeer vanwege de geloofwaardig gevonden afvalligheid onjuist heeft beoordeeld. Eiseres is al lange tijd weg uit Iran en als zij wordt uitgezet vanuit een westers land naar Iran, is de kans groot dat zij bij terugkeer kritisch ondervraagd zal worden. Eiseres wijst in dit verband op het Algemeen Ambtsbericht 2023. Eiseres zal dan moeten verklaren zich conform de islam te gedragen. Dit kan niet van haar worden verwacht. Ook heeft verweerder ten onrechte niet betrokken dat eiseres beheerder is van een evangelische Telegram-groep. Eiseres stelt daarnaast dat verweerder bij de risicobeoordeling ook had moeten betrekken dat sprake is van toegedichte bekering of toegedichte afvalligheid.
De rechtbank overweegt dat uit het beleid van verweerder volgt dat als de vreemdeling in het land van herkomst en in Nederland zijn afvalligheid terughoudend of niet actief heeft geuit, het in beginsel niet aannemelijk is dat de vreemdeling in het geval van een eventuele ondervraging door de autoriteiten op de luchthaven zal verklaren dat hij afvallig is. In dat geval is er, anders gezegd, in beginsel namelijk geen blijk dat dit voor de vreemdeling van belang is voor het behoud van zijn religieuze identiteit. Op grond van de verklaringen van de vreemdeling ten aanzien van het uiten van zijn overtuiging, mag dan ook verwacht worden dat hij niet verklaart afvallig te zijn. Voor zover zou worden gesteld dat hiermee een vorm van terughoudendheid wordt verlangd, is volgens verweerder van belang dat niet elke aantasting op het recht van godsdienstvrijheid een daad van vervolging is die verplicht tot het verlenen van een vluchtelingenstatus.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat er op basis van de verklaringen van eiseres een aanvullende screening heeft plaatsgevonden van haar sociale media. Hieruit blijkt dat eiseres op Instagram 5364 volgers heeft en dat zij berichten plaatst met betrekking tot het christelijk geloof. Gelet op het feit dat haar bekering niet geloofwaardig is, vindt verweerder dat van eiseres mag worden verlangd dat zij haar sociale media-accounts afschermt dan wel alle religieuze inhoud verwijdert. De verklaringen van eiseres dat zij bij terugkeer naar Iran niet van plan is om wederom de hoofddoek te dragen of haarzelf weer als moslima te gedragen, maakt dit volgens verweerder niet anders. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verwezen naar de Afdelingsuitspraak van 17 maart 2025 en zich op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat de vreemdeling bij terugkeer ondervraagd kan worden vanwege het feit dat hij langere tijd in het buitenland heeft verbleven, geen vervolging is in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiseres zich terughoudend moet opstellen in het uiten van haar afvalligheid. In Werkinstructie 2022/3 is het volgende bepaald: “Van een vreemdeling die enkel uit desinteresse afvallig is, zich jarenlang heeft geconformeerd aan de heersende normen en het niet deel uitmaakt van zijn (religieuze) identiteit, kan eerder verlangd worden dat hij zich aanpast aan de heersende normen zonder dat er een onhoudbare situatie zou ontstaan dan van een vreemdeling die zich heeft afgewend van een religie en daar sterke ideeën over heeft. In dat laatste geval kan geen terughoudendheid verlangd worden”. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom in het geval van eiseres sprake is van afvalligheid die geen deel uitmaakt van haar religieuze identiteit. Eiseres heeft in het nader gehoor verklaard waarom zij zich heeft afgewend van de islam, onder meer omdat zij in haar jeugd is verkracht door een streng gelovige oom en omdat zij een relatie heeft gehad met een religieuze man die haar heeft mishandeld. Daarnaast hecht de rechtbank belang aan de verklaringen van eiseres dat zij zich in Iran niet aan de hijab-voorschriften hield en make-up en nagellak droeg en dat zij daarvoor een aantal keren is bekeurd. Daarnaast heeft eiseres verklaard dat zij bij terugkeer naar Iran niet meer de schijn wil ophouden, omdat zij vindt dat de islam een leugen is en omdat zij niet wil liegen over haar eigen geloof. Ook heeft zij verklaard dat als iemand in Iran aan haar vraagt of zij moslim is, zij zal antwoorden dat zij dat niet is. Zij wil er niet over liegen omdat haar leven in Iran kapot is gemaakt door de islam. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze verklaringen van eiseres onvoldoende gemotiveerd terzijde heeft geschoven, zodat geen terughoudendheid van haar kan worden verlangd.
De rechtbank volgt eiseres ook in haar stelling dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiseres geen risico loopt bij terugkeer naar Iran vanwege toegedichte bekering of toegedichte afvalligheid. Zoals blijkt uit het bestreden besluit heeft eiseres op Instagram 5364 volgers en stelt verweerder zich daarover op het standpunt dat zij daarmee een groter bereik heeft dan anderen. Verder is zij beheerder van een christelijke Telegram-groep en blijkt uit haar eigen verklaringen en uit de getuigenverklaringen dat zij evangeliseert. Deze omstandigheden, in combinatie met het feit dat eiseres al een lange tijd niet meer in Iran is geweest, maken dat er naar het oordeel van de rechtbank een risico bestaat dat zij bij terugkeer ondervraagd kan worden. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde ook onderkend dat, ongeacht het feit dat eiseres nog een geldig paspoort heeft en dus niet hoeft te reizen met een laissez-passer, er een risico bestaat op ondervraging bij terugkeer nu eiseres al geruime tijd in Nederland verblijft. Daargelaten of van eiseres verlangd kan worden dat zij bij die ondervraging verklaart dat zij moslim is, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een risico dat de Iraanse autoriteiten achter haar christelijke activiteiten zijn gekomen of zullen komen. Ook al vindt verweerder de bekering van eiseres tot het christendom ongeloofwaardig, dan nog kan uit de christelijke activiteiten van eiseres blijken dat zij zich heeft afgewend van de islam. Het standpunt van verweerder ter zitting dat het niet aannemelijk is dat Iran op de hoogte zal zijn van de activiteiten van eiseres, volgt de rechtbank zonder nadere motivering niet. De verwijzing van verweerder ter zitting naar de Afdelingsuitspraak van 17 maart 2025 treft geen doel omdat in die zaak, anders dan in onderhavige zaak, de vreemdeling weinig volgers had op sociale media.
Op grond van het bovenstaande in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat verweerder zijn risicobeoordeling ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
Het beroep is gegrond en daarom krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 11 augustus 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.