RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser,
het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), verweerder,
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/4323
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 13 november 2025 in de zaak tussen
V-nummer: [nummer] ,
(vertegenwoordigd door: [gemachtigde] ),
en
(gemachtigde: mr. M. van Booheemen).
1. Deze zaak gaat over de weigering van verweerder om het bezwaar van eiser inhoudelijk te behandelen. Het bezwaar was gericht tegen de afwijzing van een verzoek om een eenmalige ontheffing van de meldplicht. Verweerder stelt dat eiser geen belang meer heeft bij een oordeel, omdat hij de opvang inmiddels heeft verlaten.
De rechtbank oordeelt dat eiser wel een belang heeft, namelijk een financieel belang. Dit belang is gelegen in de mogelijke terugbetaling van een ingehouden bedrag aan leefgeld. Het beroep van eiser is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit van verweerder en draagt verweerder op om het bezwaar van eiser alsnog inhoudelijk te behandelen.
Procesverloop
2. Op 21 juli 2023 heeft eiser verweerder verzocht om eenmalig te worden ontheven van zijn wekelijkse meldplicht. Verweerder heeft dit verzoek dezelfde dag mondeling afgewezen en deze afwijzing op 27 juli 2023 per e-mail bevestigd.
Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen deze afwijzing bij besluit van 20 oktober 2023 niet-ontvankelijk verklaard.
In de daarop volgende procedure heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van 24 december 2024 het besluit van 20 oktober 2023 vernietigd. De Afdeling droeg verweerder op om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
Ter uitvoering van die uitspraak heeft verweerder op 4 februari 2025 een nieuw besluit genomen (het bestreden besluit). Hierin heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw niet-ontvankelijk verklaard wegens een gebrek aan procesbelang.
Eiser heeft tegen dit nieuwe besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser was niet aanwezig. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend voor een schriftelijke ronde over de proceskosten. Eiser heeft bij brief van 17 oktober 2025 gereageerd. Verweerder heeft hierop op 24 oktober 2025 gereageerd. Beide partijen hebben de rechtbank toestemming verleend de zaak zonder nadere zitting af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. De kern van dit geschil is de vraag of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar, nu hij niet meer in de opvang verblijft. Volgens verweerder is dit niet het geval. Eiser stelt dat hij een financieel belang heeft dat reeds is ontstaan en nog steeds bestaat.
Het standpunt van eiser
4. Eiser voert aan dat zijn belang is gelegen in de terugbetaling van de volgens hem onrechtmatig ingehouden € 14,02 aan leefgeld. Dit bedrag is volgens hem ingehouden omdat hij op 31 juli 2023 niet heeft voldaan aan de meldplicht. Hij leidt dit af uit een ROV-maatregel (ROV staat voor: reglement onthouding verstrekkingen) die verweerder hem op 20 december 2023 heeft opgelegd en waarbij eenmalig € 14,02 aan leefgeld is ingehouden. Het feit dat hij de opvang heeft verlaten, doet volgens eiser niets af aan dit financiële belang.
Het oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank oordeelt dat eiser procesbelang heeft en dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank legt hieronder uit waarom.
Procesbelang is het belang dat een rechtszoekende heeft bij een inhoudelijke uitkomst van de procedure. De vraag is of het doel dat de betrokkene nastreeft, met de procedure kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is.
In de eerdere uitspraak van 24 december 2024 heeft de Afdeling al overwogen dat het niet voldoen aan de meldplicht zonder ontheffing gevolgen kan hebben voor de verstrekkingen. De Afdeling oordeelde dat eiser reeds daarom belang had bij een oordeel.
Verweerder stelt nu dat dit belang is komen te vervallen omdat eiser de opvang heeft verlaten. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het geschil spitst zich toe op de inhouding van € 14,02, een gebeurtenis die in het verleden heeft plaatsgevonden. Het belang van eiser om dit bedrag mogelijk terug te vorderen, is een financieel belang dat niet verdwijnt door zijn vertrek uit de opvang. Het belang blijft onveranderd bestaan.
Door opnieuw te oordelen dat er geen belang is, heeft verweerder de strekking van de eerdere uitspraak van de Afdeling miskend en zijn besluit onvoldoende gemotiveerd.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit van 4 februari 2025. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent dat verweerder het bezwaar inhoudelijk moet behandelen. Hierbij dient verweerder te motiveren waarom het verzoek om ontheffing van de meldplicht destijds is afgewezen en in te gaan op het beroep van eiser op artikel 6 van de Grondwet.
Proceskostenvergoeding
7. Verweerder moet in beginsel de proceskosten van eiser vergoeden, omdat het beroep gegrond is. De rechtbank staat voor de vraag of de door de gemachtigde van eiser verleende rechtsbijstand kan worden aangemerkt als beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Verweerder betwist dit. Volgens verweerder is de gemachtigde niet juridisch geschoold en wordt de bijstand verleend vanuit een interne dienst van een stichting, wat niet kan worden aangemerkt als bijstand door een derde.
De gemachtigde van eiser stelt dat hij als coördinator juridische ondersteuning bij Stichting [naam stichting] beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Hij heeft ter onderbouwing van zijn functieomschrijving een salarisstrook, het jaarverslag van de stichting, een halfjaarverslag van de stichting aan het COa en publicaties in vaktijdschriften overgelegd.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand als het verlenen een vast onderdeel is van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening.
De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde in loondienst is bij Stichting [naam stichting] als “teamcoördinator juridische ondersteuning” en hiervoor salaris ontvangt. Uit het overgelegde jaarverslag van 2024 van de stichting blijkt dat de juridische afdeling incidenteel is opgekomen voor een bewoner van een asielzoekerscentrum dat leidde tot een uitspraak van de Afdeling. De rechtbank vermoedt dat dit betrekking heeft op de eerdere uitspraak van de Afdeling in deze zaak. Naar vaste rechtspraak is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in het Bpb sprake, indien niet slechts incidenteel rechtshulp wordt verleend en voor die rechtshulp enigerlei vergoeding in rekening wordt gebracht. Niet is gebleken dat eiser voor de verleende rechtsbijstand door Stichting [naam stichting] enige bijdrage is verschuldigd geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemachtigde niet aannemelijk gemaakt dat de door hem verleende rechtsbijstand een vast onderdeel is van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening en daarmee niet incidenteel. Dit betekent dat de door de gemachtigde via de stichting verleende rechtsbijstand naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden aangemerkt als zijnde beroepsmatig verleend in de zin van het Bbp.
Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 4 februari 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Nieuwenhuijs, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.