[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 18 augustus 2025 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 20 augustus 2025 aanvaard.
Gehoor
5. Eiser stelt dat de minister hem ten onrechte niet opnieuw heeft uitgenodigd voor een gehoor bij de IND om zijn bezwaren tegen een overdracht aan Duitsland verder toe te lichten. Eiser heeft aangegeven dat hij de uitnodigingen voor zijn gehoren is kwijtgeraakt, en dat hij van het COa had vernomen dat hij opnieuw zou worden uitgenodigd. Nu dit niet is gebeurd is het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand gekomen. Omdat eiser zijn stellingen niet in een gehoor heeft kunnen toelichten, kan de minister hem niet tegenwerpen dat de bezwaren niet zijn onderbouwd. Het bestreden besluit is op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit het dossier blijkt dat er geen aanmeldgehoor Dublin heeft plaatsgevonden, omdat eiser twee keer niet is verschenen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daar een goede reden voor had. Eiser stelt dat hij zijn uitnodigingen is kwijtgeraakt, maar laat niet zien dat hij daarna inspanningen heeft verricht om alsnog een gehoor te krijgen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het voor risico van eiser komt dat hij geen gehoor heeft gehad. Bovendien heeft eiser door middel van de zienswijze de mogelijkheid gehad om zijn bezwaren, tegen het voornemen om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, naar voren te brengen. De rechtbank stelt vast dat eiser hier gebruik van heeft gemaakt, en dus niet in zijn belangen is geschaad, althans niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit het geval is.
Standaard voornemen
6. Ten aanzien van het voornemen stelt eiser dat het een prematuur standaardvoornemen betreft, waarbij geen aandacht is besteed aan zijn individuele omstandigheden. De bezwaren tegen een overdracht aan Duitsland zijn niet kenbaar betrokken bij het voornemen. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 juni 2024.
De rechtbank is van oordeel dat het voornemen aan de daaraan gestelde vereisten voldoet, omdat het de dragende overwegingen bevat. Zo heeft de minister in het voornemen gemotiveerd waarom Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. In het voornemen is daarnaast aangegeven dat er geen reden is om aan te nemen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Overigens kan het enkele feit dat niet alle afzonderlijke bezwaren van eiser tegen een overdracht aan Duitsland kenbaar zijn betrokken bij een voornemen, op zichzelf niet leiden tot vernietiging van een bestreden besluit. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraken van de Afdeling van 23 november 2023 en 11 april 2025 en ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. Eiser stelt voorts dat er ten aanzien van Duitsland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit het AIDA-rapport van 2024 volgt dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang en in juridische procedures. Ook is klagen bij de Duitse autoriteiten niet effectief. Eiser wijst hierbij ook op artikelen van de NOS en het AD. Eiser concludeert dat hij bij overdracht aan Duitsland een reƫel risico loopt om terecht te komen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
De rechtbank overweegt dat de autoriteiten van Duitsland met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit is slechts anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Duitsland systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM, waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. Verder heeft de Afdeling in de uitspraken van 4 september 2024 geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat volgens rechtspraak van de Afdeling nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover hem niet nakomt.
Artikel 17 van de Dublinverordening
8. Eiser is van mening dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Eisers ervaringen met geweld, slechte opvang en de impact op zijn gezondheid maken dat er sprake is van onevenredige hardheid.
De minister heeft zich in het besteden besluit in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser van onevenredige hardheid getuigt. Dat eiser medische problemen ervaart heeft hij niet nader onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt reeds daarom niet.
Garanties
9. Eiser heeft in de zienswijze verzocht om specifieke garanties ten aanzien van de opvang en zijn asielaanvraag. Eiser is van mening dat de minister deze specifieke garanties had moeten eisen van Duitsland.
De beroepsgrond slaagt niet. Zoals hiervoor overwogen hebben de Duitse autoriteiten met het claimakkoord de garantie gegeven dat de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van de Europese regelgeving, in behandeling wordt genomen. Voor zover eiser een beroep doet op het arrest Tarakhel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bijzondere kwetsbaarheid.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.